Duitsland ging dus met een stevigere uitgangspositie het tweede kwartaal in. Frankrijk moest eerst herstellen van een zwak begin van het jaar.
In Duitsland kwam de belangrijkste impuls van sterkere export. Ook de industriële sector hield zich relatief goed, ondanks de gevolgen van de oorlog met Iran. De Bundesbank meldde voorafgaand aan de eerste raming dat de industrie profiteerde van een dynamische buitenlandse vraag en groeiende uitvoer.
De Duitse consument bleef bovendien uitgeven, wat de binnenlandse vraag veerkrachtiger maakte dan gevreesd. Daar stond wel een stevige tegenwind tegenover: hogere energie- en grondstoffenprijzen, mede door de verstoring rond de Straat van Hormuz, drukten op de economie.
De groei van 0,2% is daarom geen teken dat de Duitse economie alweer op volle kracht draait. Ze laat vooral zien dat export en industrie de impact van de energieschok in het tweede kwartaal gedeeltelijk konden opvangen.
Het Franse herstel had een andere basis. De groei werd volledig gedragen door de nettobuitenlandse handel, die 0,6 procentpunt aan de kwartaalgroei bijdroeg. De export steeg met 2,6%, na een daling van 3,1% in het eerste kwartaal. Daarmee lag de uitvoergroei duidelijk boven de importgroei van 0,8%.
De binnenlandse economie bleef daarentegen maar mondjesmaat aantrekken. Volgens het Franse statistiekbureau INSEE droeg de finale binnenlandse vraag, exclusief voorraadvorming, slechts 0,1 procentpunt bij aan de groei. De consumptie van huishoudens nam met 0,2% toe, na een daling van 0,3% in het eerste kwartaal. Ook de bedrijfsinvesteringen bleven dalen.
Frankrijk is daarmee wel uit de krimp gekomen, maar heeft nog geen breed gedragen herstel laten zien.
Het grootste verschil tussen beide landen zit in de binnenlandse vraag.
Frankrijk blijft kwetsbaar voor de consumentenschok. De Bank van Frankrijk waarschuwt dat de hogere olieprijzen de koopkracht van huishoudens aantasten. De energieschok kan daardoor naar schatting 0,2 tot 0,3 procentpunt van de Franse groei in 2026 afhalen.
INSEE verwacht dat de Franse economie in de tweede helft van het jaar maar moeizaam vooruitkomt. Bij stabiele olieprijzen voorziet het instituut in het derde en vierde kwartaal telkens slechts 0,1% groei.
Duitsland heeft meer binnenlandse steun, maar ook grotere industriële risico’s. Consumenten bleven volgens de Bundesbank besteden en de industrie toonde enige veerkracht. Toch drukken de hogere energiekosten op de vooruitzichten. Het Duitse ministerie van Economische Zaken waarschuwde al in mei voor een duidelijke terugval in het tweede kwartaal als gevolg van hogere prijzen, problemen in toeleveringsketens en onzekerheid bij bedrijven en consumenten.
De oorlog met Iran en de blokkade van de Straat van Hormuz hebben geleid tot een forse energieprijsschok in Europa. Hogere olie- en gasprijzen verhogen de kosten voor bedrijven en verkleinen de koopkracht van huishoudens.
Voor Frankrijk ligt het directe risico vooral bij de consument. Hogere brandstof- en energierekeningen laten minder ruimte over voor andere uitgaven. Voor Duitsland komt daar de kwetsbaarheid van de industrie bij, omdat energie-intensieve productie en export onder druk staan. Het Duitse Instituut voor Economisch Onderzoek (IMK) concludeerde eveneens dat de energieschok de groei heeft geraakt.
Het ifo-instituut schatte eerder dat de gevolgen van de oorlog de Duitse groei in 2026 met 0,2 procentpunt kunnen verlagen in een scenario waarin het conflict geleidelijk de-escaleert.
Ook de Amerikaanse handelspolitiek vormt voor beide landen een rem, maar Duitsland is hier waarschijnlijk kwetsbaarder. EY raamt dat Amerikaanse importheffingen de groei van het bbp van de Europese Unie in 2026 met ongeveer 0,5 procentpunt kunnen verlagen. De grootste gevolgen zijn te verwachten in economieën die sterk op export zijn gericht.
Duitsland heeft met zijn omvangrijke maakindustrie en auto-exportsector een grotere blootstelling aan de Amerikaanse markt dan Frankrijk. Het ifo-instituut stelt dat de Amerikaanse importheffingen de Duitse uitvoer naar de Verenigde Staten blijven drukken.
Frankrijk wordt eveneens geraakt door zwakkere handel en onzekerheid, maar de belangrijkste binnenlandse kwetsbaarheid ligt daar bij de koopkracht en consumptie.
De ramingen voor Duitsland lopen uiteen:
Voor Frankrijk zijn de verwachtingen iets minder uiteenlopend, maar ook daar is sprake van neerwaartse druk:
Alle ramingen blijven afhankelijk van het verloop van de oorlog, de energieprijzen en de gevolgen van de Amerikaanse importheffingen.
| Maatstaf | Duitsland | Frankrijk |
|---|---|---|
| Bbp-groei tweede kwartaal 2026 | +0,2%, boven verwachting | +0,2%, volgens verwachting |
| Bbp-groei eerste kwartaal 2026 | +0,4%, opwaarts bijgesteld | -0,1%, neerwaarts bijgesteld |
| Belangrijkste groeimotor | Export en veerkrachtige industrie | Herstel van de nettobuitenlandse handel |
| Binnenlandse vraag | Relatief robuust | Zwak en weinig dynamisch |
| Belangrijkste effect van de oorlog | Hogere energie- en productiekosten | Druk op koopkracht en consumptie |
| Blootstelling aan Amerikaanse heffingen | Hoog, vooral via industrie en auto’s | Gematigder |
| Groeiverwachting voor 2026 | 0,5% tot 0,8% | 0,5% tot 0,7% |
Het gelijke groeicijfer van 0,2% vertelt maar de helft van het verhaal. Duitsland kwam sterker uit de startblokken, profiteerde van export en hield de binnenlandse vraag redelijk op peil. Frankrijk herstelde weliswaar van een krimp, maar deed dat vooral dankzij een tijdelijke opleving van de export, terwijl huishoudens en bedrijven terughoudend bleven.
De risico’s lopen daardoor uiteen. Duitsland is gevoeliger voor Amerikaanse importheffingen en een nieuwe terugval in de industrie. Frankrijk is kwetsbaarder voor de gevolgen van hoge energieprijzen op de koopkracht. Beide landen groeien dus even snel op papier, maar hun economische fundament onder dat cijfer is duidelijk verschillend.