Daarnaast maakten ouders zich zorgen over desinformatie (40%), raciaal of religieus opruiende inhoud (33%), gevolgen voor het lichamelijk welzijn (31%) en privacy (30%).
De enquête liet ook een duidelijk vertrouwenstekort thuis zien. Slechts 37% van de ouders zei zich zeker te voelen over het begeleiden van de digitale gewoonten van hun kind. Ouders die daar minder vertrouwen in hadden, wezen onder meer op tijdgebrek, kinderen die regels afwijzen of ouderlijk toezicht omzeilen, en beperkte kennis van controle- en monitoringtools. Meer dan de helft wilde meer steun van de overheid.
Een door The Straits Times beschreven geval illustreerde de zorgen over overmatig gebruik, sociale vergelijking en zelfbeeld. Een ouder vertelde dat haar dochters vóór hun twaalfde ongeveer vier uur per dag sociale media gebruikten.
Het MDDI en The Straits Times planden op 25 juli 2026 een oudergerichte focusgroep van 8.45 tot 13.00 uur in het NTUC Centre aan 1 Marina Boulevard. De bijeenkomst moest ouders en andere deelnemers de gelegenheid geven om te reageren op de voorstellen van de regering en tegelijk het bewustzijn over een kindveilige digitale omgeving vergroten.
De centrale vragen waren praktisch en leeftijdsgericht:
Op het aangekondigde panel stonden minister van Digitale Ontwikkeling en Informatie Josephine Teo, staatsminister Rahayu Mahzam, dr. Lim Choon Guan, hoofd van de afdeling Ontwikkelingspsychiatrie van het Institute of Mental Health, en James Tan, bestuursvoorzitter van TOUCH Community Services. Karamjit Kaur, adjunct-hoofdredacteur van The Straits Times, zou de bijeenkomst modereren.
De focusgroep maakte deel uit van bredere gesprekken van het MDDI met ouders en jongeren in juni en juli. Die sessies werden samen met maatschappelijke partners georganiseerd om meningen te verzamelen en aandacht te vragen voor een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gezinnen, bedrijven, experts en overheid bij onlinekindveiligheid.
Het MDDI presenteerde gelaagde, oftewel leeftijdsgebonden, toegang als een mogelijke manier om rekening te houden met de veranderende behoeften van kinderen tijdens hun ontwikkeling. Minister Teo zei dat voor kinderen onder een bepaalde leeftijd helemaal geen toegang waarschijnlijk de beste aanpak is. Naarmate kinderen ouder en zelfstandiger worden, zouden zij volgens die gedachtegang andere, geleidelijk aangepaste beschermingsmaatregelen nodig hebben in plaats van automatisch van iedere dienst te worden uitgesloten.
De verantwoordelijkheid ligt daarbij niet alleen bij ouders. Ook platforms moeten hun diensten veiliger maken. Volgens het MDDI moeten veiligheidsmaatregelen zich richten op drie aspecten: welke inhoud kinderen kunnen zien, met wie zij contact kunnen hebben en hoeveel tijd zij op een dienst doorbrengen. Na het forum werd gemeld dat de regering een toegangsblokkade niet als voorkeursoplossing zag, maar die wel zou kunnen overwegen voor platforms die noodzakelijke beschermingen niet bieden.
Dat verschil is belangrijk. Het voorgestelde raamwerk gaat niet alleen over een leeftijdsgrens waarna toegang plotseling wordt toegestaan. Het roept ook vragen op over leeftijdscontrole, productontwerp, moderatie, mogelijkheden om contact te beperken en de manier waarop platforms hun omgeving voor jongere gebruikers aanpassen.
De consultaties vonden plaats tegen de achtergrond van een steeds uitgebreider regelgevend kader.
De in 2023 ingevoerde Code of Practice for Online Safety – Social Media Services verplicht aangewezen socialemediadiensten om systemen en procedures te hebben die de toegang van gebruikers — vooral kinderen — tot schadelijke inhoud helpen beperken.
De App Distribution Services-code, die in maart 2025 werd ingevoerd, verplicht aangewezen appwinkels om blootstelling aan schadelijke inhoud te verminderen. Ook moeten zij leeftijdscontroles gebruiken om te voorkomen dat gebruikers jonger dan 18 jaar apps openen die niet geschikt zijn voor hun leeftijd.
De Online Safety Commission begon in juni 2026 met haar werkzaamheden. De commissie biedt slachtoffers van online schade een mogelijkheid om snel genoegdoening of een andere vorm van herstel te zoeken. Ouders en voogden kunnen namens kinderen jonger dan 18 jaar een melding doen.
Samen verschuiven deze maatregelen een deel van de verantwoordelijkheid van afzonderlijke gezinnen naar de diensten die digitale producten ontwerpen, verspreiden en beheren. Ouderlijk toezicht blijft nodig, maar de bedoeling is dat dit in een veiliger digitale omgeving beter uitvoerbaar wordt.
Op 17 juli organiseerden het MDDI en het Institute of Policy Studies het MDDI–IPS Forum on Fostering Child-Safe Digital Environments on Social Media. Het forum bracht internationale toezichthouders, maatschappelijke en zakelijke partners, academici en andere experts bijeen. Zij bespraken de afwegingen tussen minimumleeftijden, veiliger platformontwerp, digitale geletterdheid en de verantwoordelijkheden van ouders, platforms en beleidsmakers.
Ook jongeren werden bij het proces betrokken. Tijdens een bijeenkomst op 4 juli spraken ongeveer 75 deelnemers van 13 tot 35 jaar over de vraag of gelaagde toegang sociale media veiliger kan maken en welke toegang passend zou zijn voor verschillende leeftijdsgroepen.
Daarnaast konden ouders van kinderen van 0 tot en met 17 jaar tot het einde van juli deelnemen aan de openbare CrowdTask-enquête ‘Keeping Children Safe Online’ via Singpass, het digitale identificatiesysteem van Singapore. De enquête vroeg naar hun mening over voorgestelde verbeteringen voor onlineveiligheid. Het MDDI zei dat de uitkomsten zouden worden gebruikt om de aanpak verder uit te werken en om hiaten in publieke kennis en verwachtingen binnen gezinnen in kaart te brengen.
De aanpak van Singapore ontwikkelde zich richting een model van gedeelde verantwoordelijkheid: ouders begeleiden hun kinderen, platforms bouwen veiligere diensten, experts beoordelen ontwikkelings- en mentale gezondheidsrisico’s, en de overheid stelt basisregels en mogelijkheden voor herstel vast.
De openstaande vraag is hoe betekenisvolle bescherming kan worden gecombineerd met de realiteit dat sociale media al deel uitmaken van het leven van veel jongeren. De consultaties gingen daarom minder over de abstracte vraag óf kinderen online mogen zijn. De focus lag vooral op wat kinderen op verschillende leeftijden moeten kunnen zien, doen en meemaken — en welke bescherming al in de diensten zelf moet worden ingebouwd.
Daarnaast maakten ouders zich zorgen over desinformatie (40%), raciaal of religieus opruiende inhoud (33%), gevolgen voor het lichamelijk welzijn (31%) en privacy (30%).
De enquête liet ook een duidelijk vertrouwenstekort thuis zien. Slechts 37% van de ouders zei zich zeker te voelen over het begeleiden van de digitale gewoonten van hun kind. Ouders die daar minder vertrouwen in hadden, wezen onder meer op tijdgebrek, kinderen die regels afwijzen of ouderlijk toezicht omzeilen, en beperkte kennis van controle- en monitoringtools. Meer dan de helft wilde meer steun van de overheid.
Een door The Straits Times beschreven geval illustreerde de zorgen over overmatig gebruik, sociale vergelijking en zelfbeeld. Een ouder vertelde dat haar dochters vóór hun twaalfde ongeveer vier uur per dag sociale media gebruikten.
Het MDDI en The Straits Times planden op 25 juli 2026 een oudergerichte focusgroep van 8.45 tot 13.00 uur in het NTUC Centre aan 1 Marina Boulevard. De bijeenkomst moest ouders en andere deelnemers de gelegenheid geven om te reageren op de voorstellen van de regering en tegelijk het bewustzijn over een kindveilige digitale omgeving vergroten.
De centrale vragen waren praktisch en leeftijdsgericht:
Op het aangekondigde panel stonden minister van Digitale Ontwikkeling en Informatie Josephine Teo, staatsminister Rahayu Mahzam, dr. Lim Choon Guan, hoofd van de afdeling Ontwikkelingspsychiatrie van het Institute of Mental Health, en James Tan, bestuursvoorzitter van TOUCH Community Services. Karamjit Kaur, adjunct-hoofdredacteur van The Straits Times, zou de bijeenkomst modereren.
De focusgroep maakte deel uit van bredere gesprekken van het MDDI met ouders en jongeren in juni en juli. Die sessies werden samen met maatschappelijke partners georganiseerd om meningen te verzamelen en aandacht te vragen voor een gezamenlijke verantwoordelijkheid van gezinnen, bedrijven, experts en overheid bij onlinekindveiligheid.
Het MDDI presenteerde gelaagde, oftewel leeftijdsgebonden, toegang als een mogelijke manier om rekening te houden met de veranderende behoeften van kinderen tijdens hun ontwikkeling. Minister Teo zei dat voor kinderen onder een bepaalde leeftijd helemaal geen toegang waarschijnlijk de beste aanpak is. Naarmate kinderen ouder en zelfstandiger worden, zouden zij volgens die gedachtegang andere, geleidelijk aangepaste beschermingsmaatregelen nodig hebben in plaats van automatisch van iedere dienst te worden uitgesloten.
De verantwoordelijkheid ligt daarbij niet alleen bij ouders. Ook platforms moeten hun diensten veiliger maken. Volgens het MDDI moeten veiligheidsmaatregelen zich richten op drie aspecten: welke inhoud kinderen kunnen zien, met wie zij contact kunnen hebben en hoeveel tijd zij op een dienst doorbrengen. Na het forum werd gemeld dat de regering een toegangsblokkade niet als voorkeursoplossing zag, maar die wel zou kunnen overwegen voor platforms die noodzakelijke beschermingen niet bieden.
Dat verschil is belangrijk. Het voorgestelde raamwerk gaat niet alleen over een leeftijdsgrens waarna toegang plotseling wordt toegestaan. Het roept ook vragen op over leeftijdscontrole, productontwerp, moderatie, mogelijkheden om contact te beperken en de manier waarop platforms hun omgeving voor jongere gebruikers aanpassen.
De consultaties vonden plaats tegen de achtergrond van een steeds uitgebreider regelgevend kader.
De in 2023 ingevoerde Code of Practice for Online Safety – Social Media Services verplicht aangewezen socialemediadiensten om systemen en procedures te hebben die de toegang van gebruikers — vooral kinderen — tot schadelijke inhoud helpen beperken.
De App Distribution Services-code, die in maart 2025 werd ingevoerd, verplicht aangewezen appwinkels om blootstelling aan schadelijke inhoud te verminderen. Ook moeten zij leeftijdscontroles gebruiken om te voorkomen dat gebruikers jonger dan 18 jaar apps openen die niet geschikt zijn voor hun leeftijd.
De Online Safety Commission begon in juni 2026 met haar werkzaamheden. De commissie biedt slachtoffers van online schade een mogelijkheid om snel genoegdoening of een andere vorm van herstel te zoeken. Ouders en voogden kunnen namens kinderen jonger dan 18 jaar een melding doen.
Samen verschuiven deze maatregelen een deel van de verantwoordelijkheid van afzonderlijke gezinnen naar de diensten die digitale producten ontwerpen, verspreiden en beheren. Ouderlijk toezicht blijft nodig, maar de bedoeling is dat dit in een veiliger digitale omgeving beter uitvoerbaar wordt.
Op 17 juli organiseerden het MDDI en het Institute of Policy Studies het MDDI–IPS Forum on Fostering Child-Safe Digital Environments on Social Media. Het forum bracht internationale toezichthouders, maatschappelijke en zakelijke partners, academici en andere experts bijeen. Zij bespraken de afwegingen tussen minimumleeftijden, veiliger platformontwerp, digitale geletterdheid en de verantwoordelijkheden van ouders, platforms en beleidsmakers.
Ook jongeren werden bij het proces betrokken. Tijdens een bijeenkomst op 4 juli spraken ongeveer 75 deelnemers van 13 tot 35 jaar over de vraag of gelaagde toegang sociale media veiliger kan maken en welke toegang passend zou zijn voor verschillende leeftijdsgroepen.
Daarnaast konden ouders van kinderen van 0 tot en met 17 jaar tot het einde van juli deelnemen aan de openbare CrowdTask-enquête ‘Keeping Children Safe Online’ via Singpass, het digitale identificatiesysteem van Singapore. De enquête vroeg naar hun mening over voorgestelde verbeteringen voor onlineveiligheid. Het MDDI zei dat de uitkomsten zouden worden gebruikt om de aanpak verder uit te werken en om hiaten in publieke kennis en verwachtingen binnen gezinnen in kaart te brengen.
De aanpak van Singapore ontwikkelde zich richting een model van gedeelde verantwoordelijkheid: ouders begeleiden hun kinderen, platforms bouwen veiligere diensten, experts beoordelen ontwikkelings- en mentale gezondheidsrisico’s, en de overheid stelt basisregels en mogelijkheden voor herstel vast.
De openstaande vraag is hoe betekenisvolle bescherming kan worden gecombineerd met de realiteit dat sociale media al deel uitmaken van het leven van veel jongeren. De consultaties gingen daarom minder over de abstracte vraag óf kinderen online mogen zijn. De focus lag vooral op wat kinderen op verschillende leeftijden moeten kunnen zien, doen en meemaken — en welke bescherming al in de diensten zelf moet worden ingebouwd.