Amodei noemt een chipverbod „de efficiëntste en meest directe manier” om te voorkomen dat Beijing geavanceerde AI-modellen kan bouwen voor militair gebruik en binnenlandse surveillance. Dat is volgens hem zijn belangrijkste zorg .
De Verenigde Staten zouden volgens Amodei geen krachtige chips of apparatuur voor chipproductie aan China moeten verkopen. Ook moeten zij harder optreden tegen de „wijdverbreide smokkel en omwegen” waarmee bedrijven bestaande sancties proberen te omzeilen . Het gaat dus niet alleen om nieuwe verkoopbeperkingen, maar ook om een betere handhaving van regels die nu al bestaan.
Bij AI-distillatie wordt kennis uit een krachtig model overgedragen aan een kleiner en goedkoper model. Daardoor kan een ontwikkelaar een deel van de mogelijkheden van een geavanceerd systeem benutten zonder zelf over dezelfde hoeveelheid rekenkracht te beschikken.
Amodei wil dat Washington Chinese ontwikkelaars die op grote schaal Amerikaanse modellen — zoals Anthropic’s Claude — distilleren, harder aanpakt . Hij erkent dat dit lastig is: accounts kunnen soms pas worden geïdentificeerd nadat al een aanzienlijke hoeveelheid modelkennis is overgenomen. Daarom pleit hij voor overheidsbeleid, in plaats van uitsluitend voor handhaving door afzonderlijke AI-bedrijven .
De omvang van het probleem werd volgens Anthropic geïllustreerd door een beschuldiging aan het adres van Alibaba’s Qwen-lab. Dat zou de grootste distillatiecampagne ooit tegen Claude hebben uitgevoerd, met 25.000 nepaccounts en 29 miljoen uitwisselingen .
Alle modellen die voldoende krachtig zijn — zowel open als gesloten, en ongeacht het land van herkomst — zouden vóór hun introductie verplichte veiligheidstests moeten doorlopen. Minder krachtige modellen van startups en academische onderzoekers zouden volgens dit voorstel volledig worden vrijgesteld .
Daarmee probeert Amodei ook kritiek te weerleggen dat Anthropic voor een verbod op open modellen zou zijn. Hij heeft expliciet gezegd dat Anthropic „nooit heeft gepleit voor een verbod op open-weights-modellen” en dat open modellen zonder gevaarlijke mogelijkheden „een publiek goed” zijn .
Amodei waarschuwt dat Chinese ontwikkelaars via grootschalige distillatie de AI-achterstand op Amerikaanse bedrijven kunnen terugbrengen tot „slechts enkele maanden” . Zijn argument steunt op drie punten.
Rekenkracht als strategische buffer: zonder Amerikaanse chips zouden zogenoemde schaalwetten — het verband tussen meer trainingsdata, rekenkracht en modelprestaties — China ervan weerhouden om modellen te trainen die krachtiger zijn dan Amerikaanse systemen, stelt Amodei. Exportcontroles vertragen die ontwikkeling doordat de benodigde geavanceerde hardware moeilijker beschikbaar is .
DeepSeek verandert zijn redenering niet: in zijn essay On DeepSeek and Export Controls uit januari 2025 schreef Amodei dat DeepSeek echte technische innovatie liet zien, maar niet bewees dat exportbeperkingen ineffectief zijn. Volgens hem kwam DeepSeek „dicht bij de prestaties van Amerikaanse modellen die 7 tot 10 maanden ouder waren, tegen aanzienlijk lagere kosten”. Juist daarom zouden exportcontroles volgens hem „nog existentiëler belangrijk” zijn: China opereert nog steeds onder hardwarebeperkingen .
Een scherpe vergelijking: tijdens het World Economic Forum in Davos in januari 2026 vergeleek Amodei het sturen van geavanceerde AI-chips naar China met „kernwapens verkopen aan Noord-Korea” . Daarmee benadrukte hij hoe zwaar hij het veiligheidsrisico van dergelijke exporten inschat.
Amodei’s positie plaatst de controle over fysieke infrastructuur — chips, chipmachines en datacenters — centraal in de internationale AI-wedloop. Tegelijk maakt zijn standpunt onderscheid tussen toegang tot hardware en toegang tot modellen: open modellen zonder gevaarlijke capaciteiten wil hij niet verbieden, maar krachtige chips voor China wel veel strenger controleren .