Ben-Gvir richtte zijn kritiek op premier Benjamin Netanyahu, nadat die had besloten de intensiteit van de Israëlische aanvallen op Gaza te verminderen. Zijn opmerkingen waren daardoor meer dan een algemene oproep tot militair optreden: hij pleitte voor een vaste nachtelijke ‘quota’ aan doden en wilde de doelwitten niet beperken tot mensen die op dat moment een onmiddellijk gevaar vormden.
In hetzelfde interview sprak Ben-Gvir bovendien steun uit voor het aanmoedigen van Palestijnen om Gaza permanent te verlaten. Ook zei hij dat het gebied volledig als Israëlisch moet worden beschouwd. Die standpunten zijn in berichtgeving in verband gebracht met steun voor het vestigen van Israëlische nederzettingen in Gaza.
Voor Hardt gaat het conflict daarom niet om één losse, opruiende uitspraak. Volgens zijn redenering komen in Ben-Gvirs standpunten een intensivering van het geweld, ontmenselijkende taal, gedwongen vertrek en uitbreiding van nederzettingen samen — beleid dat volgens hem onverenigbaar is met de principes die EU-sancties zouden moeten beschermen.
Hardt maakte ook een politiek punt over de relatie tussen Israël en Europa. Een Israëlische regering zonder Ben-Gvir en minister van Financiën Bezalel Smotrich zou volgens hem betere kansen bieden om de betrekkingen opnieuw op een constructieve manier op te bouwen.
Daarmee maakt hij onderscheid tussen Israël als land en de twee extreemrechtse ministers, wier publieke standpunten volgens hem steeds meer een diplomatiek probleem vormen. Zijn voorstel presenteert sancties als een signaal over het gedrag van individuele regeringsleden, niet noodzakelijk als een maatregel tegen Israël als geheel.
De oproep krijgt extra gewicht doordat Hardt namens de CDU/CSU-fractie over buitenlands beleid spreekt. Hij zet daarmee bondskanselier Friedrich Merz en minister van Buitenlandse Zaken Johann Wadephul onder druk om hun eerdere terughoudendheid over het op een sanctielijst plaatsen van Ben-Gvir te heroverwegen — of op zijn minst EU-maatregelen niet langer te blokkeren.
Dat betekent echter niet dat Berlijn zijn beleid al heeft gewijzigd. Eerdere berichtgeving beschreef Duitsland als tegenstander van voorstellen om een Israëlische minister op een sanctielijst te plaatsen en de handel met nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever te beperken. Ook later werd gemeld dat Duitsland zich verzette tegen een voorgesteld handelsverbod voor nederzettingen. Wadephul stelde daarbij dat unanimiteit nodig was.
Hardts interventie moet daarom worden gezien als invloedrijke politieke druk, niet als een regeringsbesluit of als bewijs dat Duitsland sancties zal steunen.
De EU had al eerder sancties tegen Ben-Gvir besproken vanwege zijn behandeling van activisten aan boord van de Global Sumud Flotilla, een hulpvloot op weg naar Gaza. Tijdens een bijeenkomst van de ministers van Buitenlandse Zaken in juni konden de lidstaten geen overeenstemming bereiken. EU-buitenlandchef Kaja Kallas zei dat veel landen sancties hadden voorgesteld, maar dat de noodzakelijke consensus ontbrak.
Het probleem is zowel politiek als procedureel. Voor EU-sancties op het gebied van buitenlands beleid is unanimiteit tussen de lidstaten nodig. Eén regering kan een EU-brede sanctielijst daardoor tegenhouden.
Verschillende landen namen wel afzonderlijk maatregelen. Het Verenigd Koninkrijk, Australië, Canada, Nieuw-Zeeland en Noorwegen kondigden in juni 2025 sancties aan tegen Ben-Gvir en Smotrich vanwege het aanwakkeren van geweld tegen Palestijnse gemeenschappen. Frankrijk en Ierland legden de ministers in 2026 ook inreisverboden op. Zulke nationale maatregelen vormen echter geen gezamenlijk EU-sanctieregime.
EU-ministers bespraken daarnaast beperkingen op de handel met Israëlische nederzettingen in de bezette Westelijke Jordaanoever. Op tafel lagen onder meer een importvergunningstelsel, hoge invoerheffingen en een volledig handelsverbod. Tijdens een bijeenkomst in juli kreeg een verbod de meeste steun, maar de lidstaten bleven verdeeld en keurden geen gezamenlijke maatregel goed.
Dat debat hangt samen met Hardts oproep, maar het gaat om een andere maatregel. Sancties tegen Ben-Gvir zouden gericht zijn tegen één minister. Beperkingen op de handel met nederzettingen zouden commerciële relaties raken die met die nederzettingen verband houden. Voor beide voorstellen is brede overeenstemming binnen de EU nodig.
Hardts verklaring vergroot de druk op de Duitse regeringspartijen en geeft nieuwe politieke impuls aan de oproepen om tegen Ben-Gvir op te treden. Ook binnen de Duitse sociaaldemocratische partij klonken kritische geluiden over de Israëlische ministers. Vicekanselier Lars Klingbeil zei later dat EU-sancties serieus moeten worden overwogen en noemde Ben-Gvirs uitspraken onmenselijk.
Toch leiden Hardts oproep en de daaropvolgende veroordelingen niet automatisch tot sancties. De beschikbare informatie wijst nog altijd op verdeeldheid in Berlijn en Brussel. Zolang Duitsland zijn positie niet wijzigt en alle EU-lidstaten geen akkoord bereiken, blijven de uitspraken van Ben-Gvir vooral aanleiding voor politieke druk — geen afgerond EU-sanctiebesluit.