Daardoor kunnen langetermijnrentes hoog blijven of verder oplopen, zelfs wanneer beleggers rekening gaan houden met zwakkere economische groei of een minder restrictief monetair beleid.
Op 18 augustus steeg de rente op 30-jarige Amerikaanse Treasuries boven 5,31%, het hoogste niveau sinds 2007. De rente op 30-jarige Duitse Bunds bereikte 3,75%, het hoogste niveau sinds 2011. De rente op 30-jarige Britse gilts lag rond 5,85%, dicht bij de piek van mei en het hoogste niveau sinds 1998.
UBS koppelde de druk aan zorgen over aanhoudende inflatie, verslechterende overheidsfinanciën en toekomstige financieringsbehoeften van overheden. Ook een omvangrijke uitgifte van langlopende bedrijfsobligaties vergrootte de hoeveelheid renterisico die de markt moest opnemen. Daarbij speelde volgens de bank ook kredietverlening door technologiebedrijven voor investeringen in AI-infrastructuur een rol.
Obligaties met een korte looptijd bewegen doorgaans sterker mee met de verwachtingen voor de beleidsrente van centrale banken. Langlopende obligaties zijn daarentegen gevoeliger voor de termijnpremie en voor veranderende opvattingen over inflatie, begrotingsbeleid en het aanbod van staatsleningen.
UBS verwacht dat de desinflatie — een afname van de inflatiedruk — doorzet en vindt de marktverwachtingen voor verdere renteverhogingen door centrale banken te hoog. Als beleggers minder renteverhogingen gaan inprijzen, of uiteindelijk rekening gaan houden met renteverlagingen, kunnen de rentes op twee- tot vijfjarige obligaties dalen en de koersen stijgen. Dat kan zelfs gebeuren wanneer de rente op 30-jarige obligaties hoog blijft of verder oploopt.
Dat is het belangrijkste onderscheid in de visie van UBS: een verkoopgolf op de obligatiemarkt raakt niet elke looptijd op dezelfde manier. Kortlopende en middellanglopende obligaties kunnen profiteren van veranderende verwachtingen over de beleidsrente, terwijl langlopende obligaties onder druk blijven staan door fiscale risico’s en een groot aanbod.
Gelijktijdige Europese ETF-data lieten €11,9 miljard aan instroom in vastrentende producten zien. Daarvan ging €4,5 miljard naar staatsobligatieproducten en €3,8 miljard naar ultrakorte producten, voornamelijk in euro’s. Dat patroon past bij beleggers die inkomen uit obligaties zoeken, maar tegelijk de voorkeur geven aan een korte looptijd en liquide instrumenten. Het is geen volledige graadmeter voor de positionering van alle beleggers wereldwijd.
Dat onderscheid is belangrijk. Geldstromen laten zien waar bepaalde beleggers kapitaal naartoe sturen, maar bewijzen niet dat de hele markt een strategie met korte looptijden heeft omarmd.
Het advies van augustus is eerder een bevestiging dan een koerswijziging. In de House View van april wees UBS al op kwalitatieve obligaties met een looptijd van ongeveer drie tot vijf jaar als bron van rendement en diversificatie, ondanks zorgen over inflatie en schulden. In mei sprak de bank opnieuw een wereldwijde voorkeur uit voor obligaties met een korte tot middellange looptijd. Kortlopende schuld kan doorgaans gemakkelijker worden opgenomen door geldmarktfondsen, bankbalansen en liquiditeitspools.
UBS maakt daarbij onderscheid tussen valuta’s en regio’s. De voorkeur voor korte en middellange looptijden geldt in het bijzonder voor obligaties in Amerikaanse dollars en Britse ponden. Geselecteerde langer lopende Europese obligaties kunnen volgens de bank nog waarde bieden, omdat het monetaire beleid, de conjunctuur, de begrotingssituatie en de politieke omstandigheden per regio verschillen.
UBS zegt niet dat 30-jarige obligaties geen plaats in een portefeuille hebben, of dat kortlopende obligaties niet in waarde kunnen dalen. De boodschap is dat de verhouding tussen risico en rendement momenteel aantrekkelijker lijkt bij kwalitatieve schuld met een korte of middellange looptijd:
Voor beleggers die looptijden tegen elkaar afwegen, komt het advies van 18 augustus daarmee neer op het vastleggen van kwalitatief inkomen voordat zij een grote positie opbouwen in het meest rentegevoelige deel van de staatsobligatiemarkt.