De inval vond plaats op 17 augustus 2026 en werd door de IDF omschreven als een operatie op brigadeniveau. Veiligheidstroepen ondervroegen mensen die het leger als verdachten aanduidde. Volgens de Israëlische krijgsmacht werden tijdens dat verhoorproces nummers op de lichamen van enkele arrestanten geschreven. Waarom dat volgens het leger noodzakelijk was, is niet nader toegelicht.
Volgens verschillende berichten doorzochten Israëlische troepen woningen en hielden zij bewoners aan in meerdere wijken van de Noordelijke Westelijke Jordaanoever. The Jerusalem Post meldde dat de IDF sprak over twee aangehouden vermeende terroristen en huiszoekingen in meer dan honderd woningen. Lokale bronnen die door andere media werden aangehaald, spraken over tientallen arrestanten, onder wie vrouwen. Het precieze aantal is op basis van de aangeleverde informatie niet vast te stellen.
De IDF erkende dat militairen mensen die werden verhoord met nummers hadden gemarkeerd. De officiële uitleg was administratief: de nummers zouden zijn gebruikt om verdachten tijdens de verhoren en de operatie te identificeren. Tegelijkertijd presenteerde het leger de werkwijze niet als normaal of blijvend beleid. Het noemde de handeling ernstig en ongepast.
De krijgsmacht verklaarde dat commandanten de betrokken militairen op de ernst van hun handelen hadden gewezen en dat er ‘lessen zijn getrokken’. De beschikbare bronnen maken niet duidelijk of er een specifiek onderzoek, een concrete straf of een verantwoordelijke officier is aangewezen.
Die reactie kreeg extra aandacht omdat de IDF enkele maanden eerder al met vergelijkbaar gedrag was geconfronteerd. In april zei het leger dat militairen blijk hadden gegeven van een slecht oordeel nadat zij Palestijnse vrouwen bij gecontroleerde toegang tot het vluchtelingenkamp van Jenin nummers op hun handen hadden geschreven.
De zichtbaarheid van de markeringen vormde een belangrijk onderdeel van de kritiek. Nummers op voorhoofden en armen dienden niet alleen om mensen uit elkaar te houden; ze maakten van arrestanten ook publiek zichtbare labels terwijl zij onder militaire controle stonden en werden ondervraagd. De bronnen leggen de handeling en de daaropvolgende verontwaardiging vast, maar bewijzen niet wat de precieze bedoeling van de militairen was buiten de door de IDF gegeven uitleg over identificatie tijdens verhoren.
Het Arabisch-Israëlische oppositielid Ahmad Tibi veroordeelde de beelden als ontmenselijkend en zei dat ze hem deden denken aan ‘donkere tijden’. Ook mensenrechtenorganisaties en andere belangenorganisaties omschreven het nummeren van mensen op hun lichaam als vernederend en ontmenselijkend. Dat zijn kwalificaties van critici en geen onderdeel van de officiële rechtvaardiging van de IDF.
Het incident in april speelde zich af in een andere context. Palestijnen mochten toen onder strenge militaire controle het vluchtelingenkamp van Jenin binnen om hun woningen te inspecteren en bezittingen op te halen. Middle East Eye meldde dat tientallen vrouwen nummers op hun handen kregen; volgens andere berichtgeving mochten ongeveer 120 vrouwen het kamp binnen.
In Qabatiya ging het om een militaire inval en verhooroperatie, niet om een georganiseerde terugkeer naar een afgesloten kamp. De twee gebeurtenissen hebben wel dezelfde kern: Palestijnse burgers werden met nummers op hun lichaam gemarkeerd. Daardoor ontstonden opnieuw vragen over de eerdere verzekering van de IDF dat de werkwijze ongepast was en zou stoppen.
De gebeurtenissen in Qabatiya vonden plaats tijdens een periode waarin Israëlische veiligheidsinstanties een toename rapporteerden van misdrijven met een Joods-nationalistisch motief en aanvallen door kolonisten op de bezette Westelijke Jordaanoever. Volgens cijfers die door de Israëlische publieke omroep Kan werden gemeld, waren er in de eerste helft van 2026 660 zulke incidenten. Dat aantal werd in verschillende berichten vergeleken met 440 incidenten in de eerste helft van 2025; andere berichtgeving gebruikte 405 als vergelijkingscijfer en sprak van een stijging van 63 procent.
De verschillen hangen samen met de manier waarop de cijfers zijn gepresenteerd en vergeleken. Bovendien gaat het om een Israëlische veiligheidsclassificatie, niet om één uniform type misdrijf. De gemelde incidenten kunnen onder meer botsingen, vandalisme, brandstichting, wegblokkades en aanvallen op eigendommen omvatten. De cijfers wijzen dus op een gerapporteerde stijging van nationalistische of aan kolonisten gerelateerde incidenten, maar leggen op zichzelf geen verband met de markeringen in Qabatiya en bewijzen evenmin dat beide deel uitmaakten van één gecoördineerd beleid.
Het beschikbare materiaal ondersteunt vier conclusies:
De aangeleverde bronnen tonen geen rechtstreeks operationeel verband tussen het nummeren van arrestanten en bredere Israëlische plannen om bepaalde civiele handhavingstaken op de Westelijke Jordaanoever van het leger naar de politie over te hevelen. Ook onderbouwen zij niet onafhankelijk het genoemde cijfer van meer dan 1.100 Palestijnse doden op de Westelijke Jordaanoever sinds oktober 2023. Die bredere politieke en juridische claims moeten daarom los worden gezien van de gedocumenteerde feiten rond de inval in Qabatiya.