Een afzonderlijke uitsplitsing van MOM kwam uit op 27,2 procent bij bedrijven met minder dan 200 werknemers, 54,8 procent bij middelgrote bedrijven met 200 tot 500 werknemers en 76,4 procent bij ondernemingen met meer dan 500 werknemers. Het patroon is consistent: hoe groter het bedrijf, hoe groter de kans dat het over de middelen en organisatiekracht beschikt om AI te financieren en breed in te zetten.
Daarmee dreigt een verschil in technologische slagkracht te ontstaan. Grote bedrijven kunnen de implementatiekosten over meerdere teams verdelen, gespecialiseerde medewerkers aantrekken of opleiden en vraagstukken rond toezicht en integratie op grotere schaal aanpakken. Kleinere ondernemingen zien mogelijk dezelfde kansen, maar hebben minder ruimte om te experimenteren en minder interne capaciteit om de omschakeling te begeleiden.
AI is het verst doorgedrongen in sectoren waar het werk al sterk gedigitaliseerd is, bijvoorbeeld bij softwareontwikkeling, systeemanalyse en data-analyse. De adoptie was het hoogst in:
De cijfers suggereren dat sectorale gereedheid niet alleen afhangt van digitale infrastructuur. Ook geschikte toepassingen, digitaal vaardige medewerkers en bedrijfsprocessen die AI kunnen opnemen spelen een rol. De koplopers zijn daarom niet representatief voor de hele economie: hun hoge gebruiksniveau bestaat naast veel lagere adoptie bij kleinere bedrijven en minder digitaal intensieve sectoren.
Van de bedrijven die AI hadden ingevoerd, meldde 70,7 procent een verbetering van de productiviteit van werknemers. Andere genoemde voordelen waren betere besluitvorming, genoemd door 13,3 procent van de AI-gebruikers, en meer innovatie, genoemd door 11,9 procent.
Dat bedrijven die AI gebruiken praktische voordelen ervaren, is duidelijk. Toch moeten de cijfers voorzichtig worden geïnterpreteerd. Het gaat om gerapporteerde resultaten van bedrijven die al tot adoptie zijn overgegaan, niet om een gecontroleerde schatting van het causale effect van AI op de productiviteit van de hele Singaporese economie. De uitkomsten laten zien waar bedrijven waarde ervaren, maar niet dat elke implementatie dezelfde winst oplevert.
De belangrijkste obstakels waren de kosten van implementatie, genoemd door 44,9 procent van de bedrijven, en onvoldoende kennis in huis, genoemd door 42,4 procent. Kleinere bedrijven wezen daarnaast op het ontbreken van een AI-strategie en op weinig vertrouwen in de technologie als belangrijke barrières.
De aard van de problemen verschilt deels per bedrijfsgrootte. Grote ondernemingen hadden vaker te maken met complexe systeemintegratie en zorgen over databeveiliging. Dat weerspiegelt de uitdaging om AI-tools aan bestaande systemen te koppelen en ze binnen grotere organisaties beheersbaar in te zetten.
Daarmee wordt duidelijk waarom digitale paraatheid niet automatisch leidt tot brede toepassing in de praktijk. Het gaat niet alleen om toegang tot AI-tools. Bedrijven moeten ook geschikte toepassingen selecteren, de implementatie kunnen betalen, interne expertise opbouwen, risico’s beheersen en de technologie inpassen in bestaande werkprocessen.
De eerste aanwijzingen over werkgelegenheid wijzen vooral op een herontwerp van taken en functies. Van de bedrijven die AI gebruikten, meldde 18,9 procent dat functies waren aangepast en 13,9 procent dat nieuwe AI-gerelateerde banen waren gecreëerd. Daartegenover stond 6,2 procent dat een AI-gerelateerde afname van het personeelsbestand of de wervingsactiviteiten rapporteerde.
MOM vond op dit moment dan ook geen aanwijzing voor grootschalige verdringing van banen door AI. De bevindingen passen eerder bij een technologie die werknemers ondersteunt en de manier waarop het werk wordt uitgevoerd verandert, dan bij een brede daling van het aantal banen.
Dat is geen garantie voor de langetermijngevolgen van AI. Wel suggereert het dat de onmiddellijke prioriteit voor de arbeidsmarkt ligt bij het helpen van werknemers om zich aan te passen aan veranderende taken, relevante vaardigheden te ontwikkelen en door te stromen naar nieuwe of opnieuw ingerichte functies.
Het relatief lage gebruiksniveau is opvallend voor Singapore, dat bekendstaat om zijn digitale concurrentiekracht. Een vergelijking met landen als Denemarken, Finland en Zweden is richtinggevend nuttig, maar de cijfers zijn niet één op één vergelijkbaar. Enquêtes kunnen verschillende definities van AI, grenzen voor bedrijfsgrootte en meetperiodes hanteren.
De bredere les is dat digitale infrastructuur en nationale technologische paraatheid op zichzelf niet garanderen dat bedrijven AI in hun dagelijkse activiteiten integreren. Organisatiekracht, vaardigheden, kosten, vertrouwen, databeheer en de beschikbaarheid van praktische toepassingen bepalen mede hoe snel de technologie zich verspreidt.
De enquête van MOM toont een economie met twee snelheden. Een minderheid van grote ondernemingen en digitaal intensieve sectoren meldt al productiviteitswinst, terwijl de meeste bedrijven nog plannen maken, pilots uitvoeren of helemaal niet aan adoptie zijn begonnen.
Voor Singapore draait de volgende fase daarom minder om het bewijs dat AI kan werken en meer om de vraag hoe verantwoord gebruik haalbaar wordt voor een veel grotere groep bedrijven. Dat vraagt om lagere implementatiedrempels, meer interne expertise, beter vertrouwen en toezicht en een arbeidsmarkt die voorbereid is op opnieuw ontworpen functies.
De duidelijkste conclusie uit de enquête is eenvoudig: de AI-transitie van Singapore is begonnen, maar heeft de meeste bedrijven nog niet bereikt. Het eerste zichtbare effect op werk is vooralsnog verandering — niet grootschalige vervanging.