De sancties omvatten een bevriezing van tegoeden, een inreisverbod voor de EU en een verbod om de betrokken personen geld of economische middelen ter beschikking te stellen. Het bredere mensenrechtenregime bevat ook beperkingen op de export naar Iran van apparatuur die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt.
Dit sanctiekader werd in 2011 ingevoerd en sindsdien regelmatig verlengd en aangepast. Het staat los van het militaire sanctieregime dat in 2023 werd opgezet.
De Raad nam daarnaast Besluit (GBVB) 2025/1837 aan, waarmee Besluit (GBVB) 2023/1532 wordt gewijzigd. De beperkingen zijn verlengd en hebben betrekking op Iraanse militaire steun aan de Russische oorlog tegen Oekraïne, Iraanse steun aan gewapende groepen en entiteiten in het Midden-Oosten en de Rode Zee, en acties die de vrijheid van scheepvaart in het Midden-Oosten ondermijnen.
Volgens de beschikbare EU-verklaring zijn onder dit militaire besluit vier personen van de sanctielijst verwijderd. Dat staat los van het mensenrechtenbesluit: daarbij werden drie personen geschrapt en werd de vermelding van één entiteit aangepast.
Daarmee is ook de schijnbare tegenstelling tussen drie en vier verwijderde personen verklaard. Beide aantallen komen voor in het pakket van 24 juli, maar hebben betrekking op verschillende sanctiekaders.
De negen niet-EU-landen die hun beleid met de maatregelen in overeenstemming brengen, zijn:
‘Afstemming’ betekent dat deze landen toezeggen hun nationale beleid aan te passen aan de relevante besluiten van de Raad van de EU. Het maakt hen geen EU-lid en betekent niet dat EU-recht automatisch binnen hun rechtsgebied geldt. De uitvoering verloopt via hun eigen nationale systemen.
De groep bestaat uit EU-kandidaat-lidstaten, landen uit de Europese Economische Ruimte en Oekraïne. Daardoor reikt de praktische werking van de maatregelen verder dan de 27 EU-lidstaten.
De besluiten van juli maken deel uit van een bredere Europese reactie op verschillende vormen van gedrag die aan Iran worden toegeschreven.
Het sanctieregime uit 2023 werd ingesteld vanwege Iraanse militaire steun aan de Russische oorlog tegen Oekraïne. EU-functionarissen hebben de maatregelen in verband gebracht met de overdracht van drones en andere militaire uitrusting die door Russische strijdkrachten tegen Oekraïne wordt gebruikt.
Op 29 juli drong EU-buitenlandchef Kaja Kallas er in een telefoongesprek met de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Abbas Araghchi opnieuw bij Teheran op aan de militaire steun aan Rusland te beëindigen. Ook bespraken zij regionale de-escalatie en de spanningen in de Perzische Golf.
Hetzelfde sanctiekader werd uitgebreid naar Iraanse steun aan gewapende groepen en entiteiten in het Midden-Oosten en de Rode Zeeregio. De zorgen van de EU omvatten ook gedrag dat verband houdt met aanvallen op commerciële scheepvaart en bredere risico’s voor de regionale veiligheid.
Op 22 mei 2026 breidde de EU de reikwijdte van het bestaande kader uit. Daardoor kunnen ook personen en entiteiten worden aangepakt die betrokken zijn bij Iraanse acties of beleidsmaatregelen die de vrijheid van scheepvaart in het Midden-Oosten bedreigen, in het bijzonder in de Straat van Hormuz.
De eerste sancties op basis van deze uitbreiding volgden op 8 juni. Volgens juridische en sanctieberichtgeving waren ze gericht tegen een marine-eenheid van de Islamitische Revolutionaire Garde en twee personen.
Het afzonderlijke mensenrechtenregime richt zich op vermeende onderdrukking, misbruik van strafvervolging, doodvonnissen en het aan banden leggen van informatie. De zes personen die op 24 juli werden toegevoegd, zijn onder meer rechters en een cybergroepsfiguur die de EU met deze zorgen in verband bracht.
De besluiten van 24 juli waren geen op zichzelf staande actie, maar onderdeel van een reeks EU-maatregelen:
Het patroon laat zien dat de EU verschillende sanctie-instrumenten tegelijk gebruikt: individuele sancties wegens vermeende misstanden, beperkingen rond militaire overdrachten en een bredere juridische basis om te reageren op maritieme en regionale veiligheidskwesties.
De deelname van Albanië, Bosnië en Herzegovina, IJsland, Liechtenstein, Moldavië, Montenegro, Noord-Macedonië, Noorwegen en Oekraïne wijst op gecoördineerde Europese oppositie tegen het gedrag waarop de besluiten betrekking hebben. Ook wordt het moeilijker om uitsluitend gebruik te maken van verschillen tussen het EU-beleid en dat van partnerlanden.
De beschikbare bronnen tonen echter niet aan hoe effectief de maatregelen in de praktijk zullen zijn. Ook geven ze geen onderbouwde kwantificering van mogelijke voortgaande omzeiling via derde landen, goederen voor tweeërlei gebruik of bankkanalen. Daarvoor is afzonderlijk bewijs nodig. Wat wel is gedocumenteerd, is de uitbreiding van de juridische maatregelen en de bredere afstemming ervan.