Voor de eurozone melden secundaire bronnen een stijging van de faillissementen met 6,9% en een daling van de registraties met 0,1%. Omdat deze percentages niet in het aangeleverde fragment van de primaire Eurostat-publicatie staan, moeten ze hier worden beschouwd als gerapporteerde cijfers en niet als onafhankelijk geverifieerde gegevens.
De afname van het aantal nieuwe bedrijven was vooral zichtbaar in enkele bedrijfstakken. De grootste dalingen waren:
De ontwikkeling was niet overal hetzelfde. In de sector informatie en communicatie steeg het aantal registraties met 8,8%. Ook de bouw liet groei zien, met 1,0%. In de financiële dienstverlening bleef het aantal registraties onveranderd.
Dat verschil tussen sectoren is belangrijk. Het beeld is niet dat bedrijven in de hele economie zich massaal terugtrekken. Digitale en communicatieve activiteiten bleven nieuwe ondernemingen aantrekken, terwijl industrie, horeca en onderwijs- en sociale activiteiten terrein verloren.
Het aantal faillissementsverklaringen steeg in vijf van de acht door Eurostat onderzochte sectoren. De grootste toename was te zien bij onderwijs en sociale activiteiten: 21,1%.
Beschikbare berichtgeving noemt daarnaast stijgingen in transport en financiële dienstverlening. In de horeca, bouw en handel nam het aantal faillissementsverklaringen juist af. De combinatie van minder nieuwe registraties en meer faillissementen verliep dus niet in elke sector hetzelfde.
De stijging in onderwijs en sociale activiteiten verdient bijzondere aandacht. Deze categorie omvat onder meer activiteiten rond onderwijs en sociale ondersteuning. De kwartaalcijfers betekenen echter niet dat iedere school, zorgaanbieder, organisatie voor gezinsondersteuning of aanbieder van ouderenzorg in financiële problemen verkeert. Het gaat om een verandering in het aantal faillissementsverklaringen op sectorniveau, niet om een directe meting van winstgevendheid, kwaliteit of levensvatbaarheid van afzonderlijke organisaties.
De beschikbare onderbouwing bevat geen betrouwbare ranglijst van landen met de grootste stijgingen in registraties of faillissementen in het tweede kwartaal. Het zou daarom misleidend zijn om zonder de onderliggende Eurostat-landentabel een land als koploper aan te wijzen.
Voor de dalingen in faillissementsverklaringen meldt beschikbare berichtgeving dat Malta de grootste afname kende: 50,0%. Daarna volgden Cyprus met 41,7% en Slowakije met 33,5%. Eurostat waarschuwde daarbij dat het percentage voor Cyprus werd versterkt door het kleine aantal gevallen.
Deze cijfers laten ook zien waarom kwartaalpercentages context nodig hebben. Een grote procentuele verandering in een kleine markt kan overeenkomen met een relatief beperkte wijziging in het daadwerkelijke aantal faillissementen. Eén kwartaal is bovendien onvoldoende om een blijvende nationale trend vast te stellen.
Uit een enquête van de Europese Centrale Bank (ECB) over het tweede kwartaal blijkt dat de algemene financieringsvoorwaarden voor bedrijven verder zijn aangescherpt. Vooral kleine en middelgrote ondernemingen kregen hiermee te maken, tegen de achtergrond van hogere leenkosten en beperkte toegang tot financiering.
Banken in de eurozone rapporteerden afzonderlijk een matige netto-aanscherping van de kredietnormen voor bedrijfsleningen en kredietlijnen. Per saldo meldde 7% van de banken strengere normen.
Strenger kredietbeleid kan het voor ondernemingen moeilijker maken om schulden te herfinancieren, werkkapitaal te financieren, betalingsvertragingen op te vangen of tijdens een periode van zwakke vraag te investeren. Hogere rentelasten kunnen bovendien de weerbaarheid van de kasstroom aantasten.
Dat zijn aannemelijke manieren waarop financiële omstandigheden kunnen samenhangen met een hoger insolventierisico. De Eurostat-reeks over bedrijfsregistraties en faillissementsverklaringen bewijst op zichzelf echter niet dat strengere kredietverlening de stijging in het tweede kwartaal heeft veroorzaakt.
De stijging van 21,1% in onderwijs en sociale activiteiten is het duidelijkste waarschuwingssignaal in de sectorcijfers. Organisaties in deze gebieden kunnen te maken hebben met een combinatie van arbeidsintensieve kosten, beperkte ruimte om prijzen te verhogen en afhankelijkheid van publieke instellingen, huishoudens of andere financiers. Wanneer financiering duurder of moeilijker beschikbaar wordt, kunnen aanbieders met kleine financiële buffers extra kwetsbaar zijn.
Dit blijft een interpretatie en is geen rechtstreeks oordeel van Eurostat over de oorzaken van de faillissementen. De beschikbare gegevens tonen waar het aantal verklaringen toenam, maar niet welke kostenstructuur, financieringsvorm, winstmarge of reden voor beëindiging iedere onderneming had. De ECB-enquêtes ondersteunen wel het beeld van krapper wordende kredietvoorwaarden in de bredere bedrijfsomgeving. Ze isoleren echter niet het specifieke effect op onderwijs, gezinsondersteuning of ouderenzorg.
De cijfers over het tweede kwartaal kunnen het best worden gezien als een waarschuwing over de vernieuwing en financiële weerbaarheid van bedrijven, niet als bewijs van een uniforme Europese recessie. De economie groeide licht, het aantal registraties in informatie en communicatie nam sterk toe en in sommige landen en sectoren daalde het aantal faillissementsverklaringen. Tegelijkertijd wijzen de algemene stijging van faillissementen, de daling van nieuwe registraties en de strengere financieringsvoorwaarden op een moeilijker ondernemingsklimaat voor bedrijven die afhankelijk zijn van betaalbaar krediet of weinig financiële speelruimte hebben.
De meest opvallende ontwikkeling is sectorspecifiek. In onderwijs en sociale activiteiten stegen de faillissementsverklaringen het sterkst, terwijl het aantal nieuwe registraties daar eveneens afnam. Vooral arbeidsintensieve aanbieders en organisaties die hun prijzen moeilijk kunnen aanpassen of lastig aanvullende financiering kunnen vinden, verdienen daarom extra aandacht.