Ultradiffuse sterrenstelsels bevatten relatief weinig zichtbare sterren. Daardoor is hun totale massa moeilijk te bepalen met alleen metingen van de snelheid waarmee afzonderlijke sterren bewegen. Een sterrenstroom biedt een andere vorm van informatie: niet alleen de beweging van losse sterren wordt gemeten, maar ook de samenhangende vorm van een groter, uiteengevallen systeem.
Oyashio is daarmee meer dan een opvallende, ijle boog. De structuur kan uitgroeien tot een nieuw instrument om de zichtbare en donkere componenten van zwakke sterrenstelsels buiten de Melkweg met elkaar te vergelijken.
De studie presenteert Oyashio als bewijs, maar niet als een volledig en onbetwist gekarakteriseerde sterrenstroom. De structuur is uitzonderlijk zwak. Bovendien hangt de afgeleide halo-eigenschap samen met aannames over de manier waarop de voorlopersterrenhoop massa verloor, haar baan in drie dimensies en de vorm van de halo.
De waarneming vertelt dus niet waar donkere materie uit bestaat. Ze meet de zwaartekrachtsomgeving waarin de sterren bewegen. Meer sterrenstromen vinden en hun banen nauwkeuriger bepalen, is nodig om te weten of UGC 9050-Dw1 representatief is of juist uitzonderlijk rijk aan donkere materie.
De tweede aanwijzing komt uit een nieuwe analyse van 15,5 jaar publiek beschikbare gegevens van de Fermi Large Area Telescope, kortweg Fermi-LAT. Onderzoekers bekeken de richtingen van dertien nabije, zware clusters van sterrenstelsels en rapporteerden een smalle structuur rond 43,2 GeV.
Het signaal is het sterkst wanneer de gegevens van de clusters Virgo, Fornax en Ophiuchus samen worden geanalyseerd. Dat zijn de drie systemen waarvan wordt verwacht dat ze in deze steekproef de grootste zogenoemde annihilatiefactoren voor donkere materie hebben. De gerapporteerde teststatistiek bedraagt ongeveer 30 voor deze drie clusters en ongeveer 21 wanneer tien andere clusters worden toegevoegd.
Een smalle gammastraallijn is interessant omdat gewone hoogenergetische astrofysische processen meestal brede, geleidelijk verlopende spectra produceren. Bij de annihilatie of het verval van donkere materie waarbij fotonen ontstaan, kan juist een lijnachtige piek verschijnen. In de eenvoudigste interpretatie — rechtstreekse annihilatie in twee fotonen — zou een lijn rond 43 GeV wijzen op een donkere-materiedeeltje met een massa van ongeveer 43 GeV.
De aanwijzing is niet nieuw genoeg en ook niet onafhankelijk genoeg om donkere materie vast te stellen. Eerdere analyses van Fermi-gegevens vonden eveneens een voorlopige piek rond 43 GeV, maar geen lijn die wereldwijd statistisch significant was. Een latere analyse met 11,4 jaar aan gegevens zag de aanwijzing nog steeds, terwijl de teststatistiek was gedaald en gevoelig bleek voor de manier waarop gebeurtenissen werden geselecteerd.
Ook de nieuwste uitkomst is gebaseerd op één instrument en een geselecteerde groep doelwitten. Modellering van de achtergrond, de kalibratie van de energie, correcties voor het aantal uitgevoerde zoektests, aannames over de verdeling van donkere materie in clusters en nog niet geïdentificeerde gammastralingsbronnen kunnen allemaal invloed hebben op het resultaat. Eerder onderzoek naar Virgo liet bovendien zien dat schijnbaar uitgestrekte gammastraling kan worden beïnvloed door puntbronnen die niet afzonderlijk zijn opgelost.
Een extra probleem voor een eenvoudige verklaring met annihilerende donkere materie is dat er geen overeenkomstig signaal richting het binnenste van de Melkweg wordt gezien. De analyse meldt ook geen bijbehorende continue gammastraling in Virgo. Daardoor worden conventionele verklaringen verder beperkt, maar een ongebruikelijke astrofysische oorsprong kan nog niet worden uitgesloten.
De sterrenstroom en de gammastraallijn beantwoorden verschillende vragen:
Voorlopig is Oyashio de stevigere observationele vooruitgang. Het resultaat introduceert vooral een nieuwe dynamische methode en beweert niet dat een specifiek deeltje is gedetecteerd. De gammastraaluitkomst zou, als ze wordt bevestigd, directer naar de deeltjesfysica wijzen — maar de interpretatie is veel speculatiever.
Voor Oyashio is de belangrijkste volgende stap het vinden van een grotere verzameling extragalactische sterrenstromen van bolvormige sterrenhopen. Astronomen zullen zulke stromen over grotere afstanden moeten volgen en waar mogelijk hun afstanden en snelheden meten. Ook kunnen gaten, asymmetrieën en andere vervormingen aanwijzingen geven voor kleine structuren in de halo. Een grotere populatie voorkomt bovendien dat brede conclusies worden gebaseerd op één uitzonderlijk sterrenstelsel.
Voor de gammastraalpiek zou een onafhankelijke detector met veel fotonen en een betere energie-resolutie rond 43 GeV de duidelijkste test bieden. Een overtuigend signaal moet in onafhankelijke gegevens op dezelfde energie terugkeren, de relatieve helderheid vertonen die op basis van de verdeling van donkere materie in de clusters wordt verwacht, de clusters volgen in plaats van bekende gammastralingsbronnen en ontbreken in instrumentele controles en controlegebieden aan de hemel.
HERD wordt gebouwd als observatorium voor hoogenergetische kosmische straling en gammastraling, met onder meer de zoektocht naar donkere materie als wetenschappelijk doel. De geplande lancering staat voor 2027; daarna moet het instrument op het Chinese ruimtestation worden geïnstalleerd. Projectinformatie over toekomstige gammastralingsinstrumenten noemt voor HERD en GAMMA-400 een energie-resolutie van ongeveer 1%, tegenover ongeveer 10% voor Fermi-LAT bij 100 GeV. Dat verschil kan helpen om een echte smalle lijn te onderscheiden van een bredere spectrale piek.
Als toekomstige instrumenten het overschot bij 43,2 GeV niet reproduceren bij voldoende gevoeligheid, wordt de huidige aanwijzing een beperking voor modellen waarin donkere materie interacties aangaat die zulke lijnen kunnen produceren. Wordt het signaal wel opnieuw gezien — en volgen de positie en helderheid ervan de verwachte verdeling van donkere materie — dan wordt een verklaring uit de deeltjesfysica aanzienlijk aannemelijker.
Oyashio breidt het in kaart brengen van donkere materie met sterrenstromen uit tot buiten de Melkweg. De zwaartekracht van een ultradiffuus sterrenstelsel wordt zo een laboratorium. De mogelijke gammastraallijn rond 43,2 GeV biedt daarentegen een potentiële aanwijzing voor deeltjes in Fermi-gegevens van clusters van sterrenstelsels, maar blijft vatbaar voor statistische, instrumentele en astrofysische verklaringen.
Samen onderstrepen de twee resultaten dat donkere materie vanuit meerdere hoeken moet worden onderzocht. De ene methode kan laten zien hoe onzichtbare materie is verdeeld; de andere kan uiteindelijk onthullen wat ze is. Voorlopig zijn het veelbelovende aanwijzingen — geen bewijs.