De verwachting is dat El Niño tot het einde van 2026 verder versterkt en daarna tot het vroege voorjaar van 2027 aanhoudt. Belangrijk is het verschil tussen de kracht van het verschijnsel en een specifieke maximale watertemperatuur. ‘Zeer sterk’ is een categorie in NOAA’s kansverwachting; het is geen belofte dat de temperatuur boven 3 °C zal stijgen.
In eerder materiaal van NOAA stond de kans op een zeer sterke El Niño voor oktober–december op 81 procent. De nieuwere augustusprognose verhoogt de bredere kans voor de herfst en winter tot boven 90 procent. Zulke percentages kunnen veranderen wanneer nieuwe waarnemingen en modelberekeningen beschikbaar komen. De meest recente officiële prognose weegt daarom zwaarder dan oudere seizoenssamenvattingen.
El Niño beïnvloedt de positie en kracht van de straalstroom boven de Stille Oceaan. Daardoor kunnen ook de routes van winterstormen boven Noord-Amerika verschuiven. Het historische patroon vergroot doorgaans de kans op natter weer in het zuiden van de Verenigde Staten en delen van het westen. Veel noordelijke gebieden zijn tijdens een El Niño juist vaker warmer en droger dan gemiddeld.
Bij de zeven krachtigste El Niño-gebeurtenissen sinds 1950 kwam meer neerslag dan normaal vooral voor langs de westkust en in de zuidelijke staten, waaronder het zuidoosten. Het gaat hierbij om een seizoensmatige tendens, niet om een voorspelling dat iedere maand of iedere storm hetzelfde patroon volgt.
Een actiever stormseizoen kan in delen van Californië, Utah en Colorado zorgen voor veel sneeuw in de bergen, zolang de temperaturen laag genoeg blijven. Vooral op grotere hoogte kan dat gunstig uitpakken. Maar neerslag en sneeuwval zijn twee verschillende verwachtingen.
Warmere lucht kan sneeuw op lage en middelbare hoogten in regen doen overgaan. Ook het temperatuurprofiel van één enkele storm bepaalt of er sneeuw, regen of een mengvorm valt.
De specifieke kaart met bovengemiddelde sneeuwval in het zuidwesten en minder sneeuw in de noordelijke staten en een groot deel van Canada is afkomstig van OpenSnow, niet van de officiële NOAA-verwachting. Historische NOAA-overzichten laten tijdens El Niño wel minder sneeuw zien in verschillende noordelijke regio’s, waaronder delen van de noordelijke Rocky Mountains, de Pacific Northwest en het westen van Canada.
De meest zorgvuldige conclusie is daarom een regionale voorkeur in sneeuwkansen, geen zekerheid voor afzonderlijke staten, skigebieden of steden.
Een sterke El Niño kan de stormbaan richting het zuiden en westen van de Verenigde Staten actiever maken. Historische analyses van NOAA verbinden El Niño-jaren met meer dagen met uitzonderlijk veel neerslag en hoge rivierafvoeren in het westen van de VS, vooral in het zuidwesten.
Voor Californië kan dat waardevolle regen en een groter sneeuwdek in de bergen opleveren. Tegelijkertijd neemt het risico toe op schadelijke regenval, snelle afstroming, aardverschuivingen en overstromingen als stormen warm zijn of in korte tijd veel vocht aanvoeren. Kustgemeenschappen lopen extra gevaar wanneer hoge golven, hoge waterstanden en zware regen samenvallen.
Dit zijn verhoogde risico’s, geen voorspelling dat een specifieke atmosferische rivier of kustoverstroming zeker zal plaatsvinden. Seizoensverwachtingen kunnen individuele stormen maanden van tevoren niet aanwijzen.
Een verstoorde of verzwakte poolwervel kan tijdelijk koude lucht naar delen van Noord-Amerika sturen. Zo’n koude-uitbraak kan het bredere El Niño-patroon — met warmere omstandigheden in het noorden — dagen of weken plaatselijk overschrijven.
De aangeleverde NOAA-prognose voor El Niño stelt echter niet vast dat een verstoring van de poolwervel zal optreden. El Niño bepaalt op zichzelf ook niet het moment of de kracht daarvan.
Een winter kan dus gemiddeld warmer uitvallen in de noordelijke staten en toch enkele scherpe koudegolven bevatten. Een seizoensverwachting is geen dag-tot-dagvoorspelling.
El Niño verandert neerslagpatronen tot ver buiten Noord-Amerika. NOAA noemt minder regen in Indonesië en het noorden van Zuid-Amerika, en juist meer neerslag in het zuidoosten van Zuid-Amerika, equatoriaal Oost-Afrika en het zuiden van de Verenigde Staten als enkele van de betrouwbaarste wereldwijde verbanden.
De beschikbare bronnen bieden echter onvoldoende basis om een vroeg einde van het regenseizoen in Vietnam of zekere droogte in Panama, Ethiopië en India als vaststaande gevolgen van 2026–27 te presenteren. Lokale moessonpatronen, het seizoen waarnaar wordt gekeken en de precieze vorm van de El Niño spelen allemaal een rol.
Hetzelfde geldt voor het Atlantische orkaanseizoen. El Niño kan de windschering op grote hoogte boven de tropische Atlantische Oceaan versterken. Dat werkt de ontwikkeling van sommige tropische cyclonen doorgaans tegen. Maar ook zeewatertemperaturen, luchtvochtigheid, Afrikaanse oostelijke golven en andere factoren zijn bepalend. Een sterke El Niño is dus een remmende invloed, geen garantie op een rustig orkaanseizoen.
De beschikbare gegevens ondersteunen een duidelijke seizoensboodschap: de winter van 2026–27 krijgt waarschijnlijk te maken met een zeer sterke El Niño die tot in het vroege voorjaar aanhoudt. Dat vergroot de kans op natter weer in het zuiden en westen van de Verenigde Staten en op warmere omstandigheden in een groot deel van het noorden.
De kanttekeningen zijn minstens zo belangrijk. NOAA heeft geen recordbrekende gebeurtenis of piek boven 3 °C bevestigd. Sneeuwval blijft afhankelijk van hoogte en temperatuur, een verstoring van de poolwervel staat niet vast en specifieke wereldwijde droogte- of regenseizoensclaims blijven onzeker.
Voor Californië kan de komende winter daardoor twee gezichten hebben: meer neerslag en sneeuw in hoger gelegen gebieden, maar ook een groter risico op overstromingen en problemen langs de kust wanneer warme, vochtige stormen toeslaan.