Als een bank klantgegevens gebruikt om een AI-assistent te ontwikkelen of te verbeteren en zich daarbij op toestemming beroept, moet zij een AI-specifieke melding geven. Die melding moet het ontwikkelen van het model onderscheiden van de normale uitvoering van bank- of klantenservice.
Een bank kan mogelijk een uitzondering op de toestemmingsplicht in de PDPA gebruiken, zoals de uitzondering voor bedrijfsverbetering. Dat kan alleen wanneer aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en het gebruik binnen de reikwijdte van de uitzondering blijft. In dat geval zijn toestemming en een aan toestemming gekoppelde opt-out mogelijk niet nodig.
Voor verzekeraars geldt dezelfde basisvraag. Als toestemming nodig is om medische gegevens of informatie uit schadeclaims voor de ontwikkeling van een generatief-AI-model te gebruiken, moet de melding dat AI-doel specifiek benoemen. Een algemene eerdere verklaring over het verbeteren van de dienstverlening is niet automatisch voldoende voor modeltraining.
De verzekeraar moet dus aantonen dat een relevante PDPA-uitzondering van toepassing is, of geldige toestemming verkrijgen via een AI-specifieke melding. De beschikbare bronnen ondersteunen geen algemene regel dat medische gegevens of claiminformatie altijd van de toestemmingsplicht zijn uitgezonderd.
Wanneer een webwinkel of platform aankoopgeschiedenis of browsegedrag gebruikt om een afzonderlijk commercieel generatief-AI-product te ontwikkelen, gaat het om hergebruik buiten de directe winkelervaring. Als toestemming vereist is, moet het platform dat AI-doel rechtstreeks uitleggen en kan het niet volstaan met een algemene passage over productontwikkeling.
De uitzondering voor bedrijfsverbetering kan in bepaalde omstandigheden relevant zijn, maar is geen algemene vergunning voor elk nieuw commercieel gebruik van gegevens. Ook dan moet de organisatie aan de wettelijke voorwaarden voldoen en binnen de grenzen van de uitzondering blijven.
Een sociaal platform dat profielen, foto’s, video’s, berichten of interacties gebruikt om generatieve tools voor contentcreatie te verbeteren, moet een AI-specifieke melding geven wanneer toestemming de wettelijke basis is.
Gegevens die daadwerkelijk openbaar beschikbaar zijn, kunnen onder de uitzondering voor openbaar beschikbare gegevens vallen. In dat geval is mogelijk geen toestemming nodig. Het verschil tussen openbaar en afgeschermd is daarbij belangrijk: een foto of bericht dat alleen met geselecteerde gebruikers wordt gedeeld of door toegangsinstellingen wordt beschermd, is niet hetzelfde als publiek beschikbare informatie.
Zijn gegevens daadwerkelijk geanonimiseerd en daardoor geen persoonsgegevens meer, dan gelden de meldings- en toestemmingsverplichtingen uit de PDPA voor persoonsgegevens niet. Gepseudonimiseerde of gemaskeerde gegevens zijn niet automatisch anoniem. De doorslaggevende vraag is of personen nog kunnen worden geïdentificeerd.
Een organisatie hoeft mogelijk geen toestemming te vragen als zij zich rechtsgeldig kan beroepen op een uitzondering in de PDPA, bijvoorbeeld voor openbaar beschikbare gegevens of — als aan de voorwaarden is voldaan — voor bedrijfsverbetering.
De eis voor een AI-specifieke melding geldt juist in situaties waarin toestemming nodig is. De richtlijnen creëren daarom geen algemeen recht om elk rechtmatig gebruik van gegevens voor AI-training te weigeren.
De PDPC beschrijft een opt-outprocedure als een route waarbij iemand wordt geïnformeerd, een redelijke termijn krijgt en een redelijke manier om bezwaar te maken wanneer die route wordt gebruikt. Dat betekent niet dat elke AI-gerelateerde verwerking standaard een opt-outmogelijkheid moet bieden — zeker niet wanneer de organisatie zich op een toestemmingsuitzondering beroept in plaats van op toestemming.
Wie eerder toestemming heeft gegeven of geacht wordt toestemming te hebben gegeven, kan die toestemming volgens de PDPA nog steeds intrekken, binnen het kader dat op de betreffende verwerking van toepassing is.
In het algemeen hoort een organisatie een product of dienst niet te weigeren alleen omdat een consument geen toestemming geeft voor AI-training die niet redelijkerwijs noodzakelijk is om dat product of die dienst te leveren. Toestemming voor het ontwikkelen van een algemene AI-assistent of een losstaand commercieel model zou dus doorgaans niet mogen worden gekoppeld aan toegang tot een gewone bankrekening, winkelservice of sociaal platform.
De belangrijke beperking is de noodzaak. Toestemming kan wel als voorwaarde gelden wanneer het verzamelen, gebruiken of delen van de gegevens redelijkerwijs noodzakelijk is voor de dienst of transactie die de consument heeft gevraagd. Of dat zo is, hangt af van de concrete dienst, het gegevensgebruik en de omstandigheden. De richtlijnen geven geen standaardantwoord voor elke organisatie of elk AI-systeem.
Consumenten doen er goed aan in een AI-melding op vier punten te letten:
Organisaties moeten eerst bepalen of de informatie nog persoonsgegevens zijn, of een wettelijke uitzondering van toepassing is en of het AI-gebruik redelijkerwijs noodzakelijk is voor de gevraagde dienst. Pas daarna kunnen zij vaststellen of een AI-specifieke toestemmingsmelding en een opt-outmechanisme nodig zijn.
Dat is de kern van het Singaporese kader van juli 2026: meer transparantie bij AI-training waarvoor toestemming nodig is, maar geen automatische opt-out voor elk rechtmatig gebruik van persoonsgegevens.