Het klopt dat alle bekende handschriften met een opschrift het evangelie aan Matteüs toeschrijven; dat versterkt de traditie, maar bewijst haar niet definitief.
Uit Papias' uitspraak volgt niet dwingend dat ons huidige canonieke Matteüsevangelie oorspronkelijk als een Hebreeuws evangelie voorlag en later in het Grieks werd vertaald. De beschikbare bronnen onderbouwen vooral de latere traditionele toeschrijving, niet de hele reconstructieketen.
Dat het Matteüsevangelie zelf anoniem is, wordt in de geciteerde tekst niet voldoende benadrukt.
De stelling "vrijwel niemand anders dan de apostel Matteüs komt in aanmerking" is sterker dan het bewijs toelaat. De traditie is oud, maar geen directe aanspraak van het evangelie zelf.
De datering van een Hebreeuwse versie in de jaren 40 en van een Griekse versie uiterlijk in de vroege jaren 50 wordt door de hier beschikbare bronnen niet ondersteund.
De bewering dat Marcus en Lucas de Griekse Matteüsversie gebruikten, is niet hetzelfde als de Marcusprioriteit, die stelt dat Marcus als eerste werd geschreven en door Matteüs en Lucas als bron werd gebruikt.
De vroegchristelijke traditie neigt sterk naar Matteüsprioriteit, de aanname dat Matteüs als eerste werd geschreven.
De Marcusprioriteit stelt daarentegen dat Marcus het eerst werd geschreven en dat Matteüs en Lucas Marcus als bron gebruikten.
Er zijn nog steeds verdedigers van de Matteüsprioriteit, bijvoorbeeld in de augustijnse of Griesbach/Farmer-traditie. Tegelijkertijd wordt de augustijnse visie in een overzicht beschreven als een positie met weinig aanhangers, terwijl de Griesbach-hypothese een aanzienlijk aantal voorstanders zou hebben gewonnen.
De bewijslast is dus niet simpelweg "Matteüs duidelijk eerst", maar: vroegchristelijk eerder Matteüs eerst, daarnaast staat in de moderne discussie de Marcusprioriteit als concurrerend model.
Over de Marcusprioriteit geeft het beschikbare bewijs het algemene punt dat de Marcusprioriteit Marcus als het eerste synoptische evangelie beschouwt.
De in de tekst geclaimde datering van het Marcusevangelie op 64-67 n.Chr. is mogelijk, maar niet dwingend uit de hier beschikbare bronnen af te leiden.
De zeer vroege datering van Lucas/Handelingen op circa 57-62 n.Chr. is eveneens een conservatieve reconstructie, maar niet met de hier voorliggende bronnen onderbouwd.
Dat Johannes in de vroege kerk vaak als het laatste evangelie gold, past bij de geciteerde samenvatting van de vroegchristelijke volgorde.
De bewering dat de historische details in het Johannesevangelie een directe ooggetuigenrol van de apostel Johannes bevestigen, is sterker dan wat het hier beschikbare bewijs aantoont.
De tekst vermengt drie niveaus:
Juist bij Matteüs maakt de tekst van een oude traditie een bijna zekere historische keten:
Deze keten is niet onmogelijk, maar wordt door de genoemde bronnen niet bewezen.
De tekst is niet onzin, omdat hij echte vroegchristelijke getuigenissen gebruikt. Maar hij verzwijgt of bagatelliseert dat de evangeliën zelf anoniem zijn, dat de Matteüstraditie wel sterk is maar geen bewijs, en dat er met de Marcusprioriteit een concurrerend model voor het synoptisch probleem bestaat.
Een evenwichtige formulering zou zijn:
De vroege kerk schreef Matteüs een belangrijke rol toe en verbond het eerste evangelie met de apostel Matteüs.
Hieruit volgt echter niet zeker dat ons Griekse Matteüsevangelie een vertaling van een Hebreeuws origineel is of dat Marcus en Lucas het hebben gebruikt.
Deze visie is een conservatieve reconstructie, niet simpelweg de vastgestelde stand van het onderzoek.
Comments
0 comments