Uit de resultaten bleek dat het type bordspel géén effect had op de mate van coöperatief, prosociaal of antisociaal gedrag dat kleuters na afloop lieten zien. Samenwerken in een spel leidde dus niet automatisch tot meer behulpzaamheid, en een potje strijden maakte kinderen niet per se asocialer .
Wat wél opviel: na een competitief spel vertoonden kinderen onderling méér competitief gedrag dan na een coöperatief spel . Ze waren dus meer gericht op onderling presteren. Tegelijkertijd riepen beide speltypen in gelijke mate coöperatieve en prosociale reacties op
.
Dit nuanceert het vaak gedragen idee dat competitieve spellen per definitie slecht zijn voor jonge kinderen en coöperatieve spellen juist altijd sociaal wenselijk gedrag bevorderen.
De studie laat zien dat bordspellen – of ze nu coöperatief of competitief zijn – een natuurlijke oefensituatie bieden voor sociale interactie en impulsbeheersing. Kinderen moeten leren wachten op hun beurt, omgaan met winst en verlies, en reageren op het gedrag van anderen . De onderzoekers suggereren dat de sociale context van het spel (de groepsdynamiek, de begeleiding) mogelijk meer invloed heeft dan het speltype zelf
.
De Zweedse studie onderstreept ook dat het loont om verder te kijken dan simpele tegenstellingen. Dat een bordspel draait om een gezamenlijk doel of een winnaar, is maar één ingrediënt in een complex sociaal samenspel.
Eriksson, M., Kenward, B., Poom, L., & Stenberg, G. (2021). The behavioral effects of cooperative and competitive board games in preschoolers. Scandinavian Journal of Psychology, 62(3), 355–364. DOI: 10.1111/sjop.12708.
Comments
0 comments