Iraanse ballistische raketten troffen op de avond van 21 maart 2026 de Zuid-Israëlische steden Dimona en Arad. Dat gebeurde enkele uren nadat de Iraanse uraniumverrijkingsfaciliteit in Natanz was aangevallen. Teheran presenteerde de raketaanvallen als vergelding. De gemelde inslagen waren in bebouwde delen van de steden, niet op het nucleaire onderzoekscentrum bij Dimona.
3
13
Schade en gewonden
De steden werden bij afzonderlijke aanvallen geraakt. Gebouwen liepen zware schade op; hulpverleners meldden dat in Arad minstens tien appartementencomplexen beschadigd waren. De eerste berichten spraken van tientallen gewonden. Het Israëlische ministerie van Volksgezondheid meldde later 180 gewonden: 116 in Arad en 64 in Dimona, onder wie mensen met ernstig letsel. Die aantallen zijn opeenvolgende tellingen, geen cijfers die bij elkaar moeten worden opgeteld.
2
3
4
De Iraanse staatstelevisie koppelde de aanvallen aan de eerdere aanval op Natanz. Het Israëlische leger ontkende daarvoor verantwoordelijk te zijn. Waarom Iran zei te hebben geschoten, is daarmee duidelijk; wie de aanval op Natanz uitvoerde, staat op basis van die verklaring niet vast.
3
13
Waarom werden de raketten niet onderschept?
Volgens het Israëlische leger waren de luchtverdedigingssystemen actief, maar onderschepten ze de raketten die Dimona en Arad troffen niet. Een latere analyse meldde dat het leger voor de twee mislukte onderscheppingen verschillende, niet-gerelateerde omstandigheden aanwees. Daaruit volgt dus niet dat beide raketten door één en dezelfde oorzaak door de verdediging kwamen.
2
11
De nabijheid van Dimona’s nucleaire onderzoekscentrum riep ook de vraag op of die installatie was geraakt. Het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) zei niet op de hoogte te zijn van schade aan het centrum, dat ongeveer 13 kilometer buiten Dimona ligt. Er werden geen afwijkende stralingsniveaus gemeld. Die bevindingen gaan over de installatie; ze doen niets af aan de schade en verwondingen in de steden.
3
13
Van de reactie van Israël tot de VN-toespraken
Premier Benjamin Netanyahu sprak van een ‘zeer moeilijke avond’ en beloofde Iran te blijven aanvallen. De uitwisseling vond plaats aan het begin van de vierde week van de bredere oorlog tussen Iran enerzijds en de Verenigde Staten en Israël anderzijds.
4
9
Op 7 april kondigden de Verenigde Staten en Iran een staakt-het-vuren van twee weken aan, gekoppeld aan de heropening van de Straat van Hormuz, een belangrijke scheepvaartroute. Volgens berichtgeving waren de vijandelijkheden op 8 april grotendeels tot stilstand gekomen. Rond de aankondiging werd melding gemaakt van meer dan 1.900 doden in Iran; in de regio samen liep het dodental in de duizenden. Het ging om toenmalige, onvolledige cijfers, niet om een definitieve balans. De gevechtspauze bracht geen blijvende oplossing: in september werd de oorlog nog altijd als gaande beschreven.
21
Tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september verdedigde de Amerikaanse president Donald Trump de oorlog. Hij sprak over een keuze tussen een akkoord met Iran en het land ‘vernietigen’. De Iraanse president Masoud Pezeshkian hield een strijdbare toespraak, terwijl zijn regering de vooruitzichten op overleg relativeerde. Hun woorden maakten duidelijk dat het conflict maanden na de raketinslagen niet was opgelost.
17
18