El Niño gebeurtenissen waren de afgelopen 40 jaar gemiddeld ongeveer 36,5 procent sterker dan in de duizend jaar daarvoor. Dertien levende en fossiele koralen leverden maandelijkse informatie over zeewatertemperaturen en ENSO variaties.
Research answer

Create a landscape editorial hero image for this Studio Global article: What does the University of Michigan–led study published in Science conclude about how the strength and variability of El Niño–Southern Osci. Article summary: The study’s central conclusion is that ENSO’s warm phase extremes have become unusually strong and variable: El Niño events over the past 40 years were about 36.5%—often rounded to nearly 40%—stronger than the average le. Topic tags: general web, productivity, code, benchmarks, growth. Style: premium digital editorial illustration, source-backed research mood, clean composition, high detail, modern web publication hero. Use reference image context only for broad subject, composition, and topical grounding; do not copy the exact image. Avoid: logos, brand marks, copyrighted characters, real person likenesses, fake screenshots, UI text, readable text, watermarks,
De kern van de studie, geleid door de University of Michigan en gepubliceerd in Science, is dat de warme fase van de El Niño–Zuidelijke Oscillatie (ENSO) de afgelopen decennia uitzonderlijk sterk en veranderlijk is geworden. El Niño-gebeurtenissen waren in de afgelopen 40 jaar gemiddeld ongeveer 36,5 procent sterker dan het niveau dat voor de voorafgaande duizend jaar is gereconstrueerd. Dat wordt vaak afgerond op bijna 40 procent. 1113
De onderzoekers benadrukken wel dat afzonderlijke El Niño-gebeurtenissen nog altijd ontstaan uit natuurlijke wisselwerkingen tussen oceaan en atmosfeer. De conclusie is dus niet dat ieder hedendaags evenement sterker is dan ieder historisch evenement, maar dat de recente uitschieters als groep ongewoon krachtig zijn.
Het team combineerde gegevens van 13 levende en fossiele koralen uit de Galápagoseilanden tot een maandelijkse reconstructie van de temperatuur in het oostelijke tropische deel van de Stille Oceaan over ongeveer duizend jaar. De Galápagos liggen in een gebied waar de opwarming tijdens El Niño bijzonder duidelijk zichtbaar is. 16
In de koraalskeletten analyseerden de onderzoekers onder meer:
Door beide metingen te combineren, konden de onderzoekers de maandelijkse schommelingen in het zeeoppervlak beter reconstrueren dan met één proxy afzonderlijk. Koralen werken daarbij niet als perfecte thermometers, maar leggen tijdens hun groei wel een chemisch archief van de plaatselijke oceaancondities vast.
De recente veranderingen wijzen volgens de studie niet alleen op een warmer oceaanoppervlak. Ook de temperatuursprongen die met ENSO samenhangen, zijn groter geworden. Vooral de warme afwijkingen tijdens El Niño vallen op ten opzichte van de koraalreconstructie voor het pre-industriële millennium. 1113
Dat betekent dat het onderzoek vooral een versterking van de schommelingen beschrijft. Het is geen bewering dat elke huidige El Niño automatisch sterker is dan elke El Niño uit het verleden.
De onderzoekers legden de koraalreconstructie naast simulaties van 12 klimaatmodellen. Ook onderzochten ze mogelijke natuurlijke externe factoren, zoals veranderingen in zonnestraling en vulkaanuitbarstingen.
De timing en het patroon van de recente toename konden volgens de analyse niet voldoende door zonnevariabiliteit of vulkanische activiteit worden verklaard. Simulaties waarin de uitstoot van menselijke broeikasgassen werd meegenomen, sloten beter aan bij de versterking aan het einde van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw. 1011
Dat is een conclusie op basis van samenlopende aanwijzingen, geen bewijs dat de zon of vulkanen helemaal geen invloed hebben gehad. Natuurlijke variatie blijft de directe aanleiding voor individuele El Niño-gebeurtenissen; de opwarming door menselijke uitstoot lijkt de omstandigheden wel zó te veranderen dat de zwaarste uitschieters waarschijnlijker of intenser worden.
De studie verschijnt op een opvallend moment. Volgens de augustusverwachting van NOAA was er 69 procent kans dat de El Niño van oktober tot en met december 2026 sterker zou worden dan alle gebeurtenissen in de meetreeks sinds 1950. NOAA gebruikt daarvoor de Relative Oceanic Niño Index (RONI), waarbij een waarde van minimaal +2,5 °C als grens geldt. Voor een ‘zeer sterke’ El Niño lag de kans in latere vooruitzichten boven 90 procent. 345
Berichten over zeewater dat plaatselijk ongeveer 4 °C warmer is dan normaal moeten niet zonder meer worden gelijkgesteld aan de NOAA-drempel. Zulke waarden kunnen betrekking hebben op lokale of regionale afwijkingen, terwijl RONI een grootschaliger gemiddelde over een specifiek oceaangebied en meerdere maanden beschrijft.
Een voorspelling bevestigt de koraalstudie op zichzelf niet. Een evenement van recordomvang zou wel passen bij de waarschuwing dat een warmer klimaat de kans op grotere El Niño-effecten in het oostelijke deel van de Stille Oceaan kan vergroten. 34
Ondersteunende kijk. Kim Cobb, specialist in koraalonderzoek en paleoklimaat, heeft langdurige koraalarchieven met maandelijkse resolutie eerder aangehaald als belangrijk fysiek bewijs om recente ENSO-activiteit met natuurlijke variatie te kunnen vergelijken. De lange reeks uit de Galápagos helpt daarmee een belangrijk probleem te ondervangen: instrumentele metingen bestaan pas relatief kort. 213
Voorzichtigheid en kritiek. Michael Mann en andere wetenschappers vinden de uitkomst fysisch plausibel en in grote lijnen verenigbaar met de verwachting dat opwarming extreme ENSO-gebeurtenissen kan versterken. Dat betekent niet dat er volledige overeenstemming bestaat over elk mechanisme of dat het precieze cijfer van 36,5 procent zonder onzekerheid moet worden geïnterpreteerd.
Onder meer de kalibratie van koralen, verschillen tussen locaties, de datering, de keuze voor een vergelijkingsperiode van 40 jaar en de uiteenlopende ENSO-eigenschappen van klimaatmodellen zorgen voor onzekerheid. Koraalproxies kunnen bovendien aanzienlijke reconstructiefouten geven wanneer ze als een exacte thermometer worden behandeld. 4513
De meest verdedigbare lezing is daarom: de gegevens wijzen op een recente en uitzonderlijke intensivering, met een aanzienlijke menselijke bijdrage. Ze bewijzen niet dat ENSO in elk toekomstig decennium onafgebroken sterker zal worden.
Sterke El Niño’s veranderen wereldwijd de atmosferische circulatie. Ze kunnen de mondiale temperatuur tijdelijk verhogen en de ligging van stormbanen, neerslaggebieden en droogtezones verschuiven. Daardoor veranderen ook de risico’s op overstromingen, hitte, natuurbranden en droogte. De precieze gevolgen verschillen per regio, seizoen en evenement. Het is daarom niet wetenschappelijk verantwoord om één orkaan, overstroming of droogte uitsluitend aan El Niño of uitsluitend aan klimaatverandering toe te schrijven. 1013
Op een al warmere planeet kan een krachtige El Niño hittegolven, mariene hittegolven, extreme neerslag en overstromingsschade in sommige gebieden versterken. Elders kunnen juist langdurige hitte en neerslagtekorten toenemen. ENSO verandert de circulatie op de achtergrond, terwijl warmere oceanen en een vochtiger atmosfeer sommige gevaren verder kunnen aanjagen. 1013
De maatschappelijke kwetsbaarheden zijn onder meer:
Vroege waarschuwingen, beter waterbeheer, gewasdiversificatie en een robuuster elektriciteitsnet kunnen de schade beperken. Het gaat dus niet alleen om de klimaatdreiging zelf, maar ook om blootstelling, voorbereiding en aanpassingsvermogen.
Extreme hitte in de oceaan veroorzaakt verbleking en sterfte onder koralen. Dat bedreigt riffen en visserij, maar ook het wetenschappelijke archief waarop dit soort onderzoek steunt. Levende koralen die maand na maand hun chemische samenstelling vastleggen, kunnen sterven voordat ze toekomstige klimaatveranderingen bewaren. 13
Daarom zijn zowel de bescherming van koraalriffen als het zorgvuldig verzamelen en beheren van toegestane monsters van moderne en fossiele koralen van belang. Ook zijn meer meetlocaties nodig, zodat conclusies niet te zwaar leunen op een beperkt aantal riffen.
De studie versterkt uiteindelijk het beeld van ENSO als een klimaatrisicoversterker: geen volledig nieuw verschijnsel, maar een natuurlijke cyclus waarvan de zwaarste gevolgen kunnen toenemen naarmate de aarde verder opwarmt. Over de exacte omvang en de regionale uitwerking van toekomstige veranderingen blijft onzekerheid bestaan.
Studio Global AI
This page includes a source-backed answer you can continue inside Studio Global.
El Niño gebeurtenissen waren de afgelopen 40 jaar gemiddeld ongeveer 36,5 procent sterker dan in de duizend jaar daarvoor.
El Niño gebeurtenissen waren de afgelopen 40 jaar gemiddeld ongeveer 36,5 procent sterker dan in de duizend jaar daarvoor. Dertien levende en fossiele koralen leverden maandelijkse informatie over zeewatertemperaturen en ENSO variaties.
Vergelijkingen met 12 klimaatmodellen wijzen op een belangrijke menselijke bijdrage, al blijft natuurlijke variabiliteit een rol spelen.