De LHC botste in 2025 voor het eerst zuurstof 16 en neon 20 op 5,36 TeV per nucleonpaar, veel lichtere systemen dan de gebruikelijke lood loodbotsingen. ALICE en CMS maten collectieve stroming, terwijl ATLAS energieverlies van partonen in het gevormde hete medium waarnam.
Research answer

Create a landscape editorial hero image for this Studio Global article: How have CERN’s 2025 oxygen-16 and neon-20 collisions at 5.36 TeV per nucleon pair demonstrated quark-gluon plasma formation in systems much. Article summary: The 2025 O–O and Ne–Ne runs show that collisions of nuclei containing only 16 or 20 nucleons can produce strong collective behavior and parton-energy-loss signatures associated with quark–gluon plasma (QGP), extending QG. Topic tags: general, general web, academic. Style: premium digital editorial illustration, source-backed research mood, clean composition, high detail, modern web publication hero. Use reference image context only for broad subject, composition, and topical grounding; do not copy the exact image. Avoid: logos, brand marks, copyrighted characters, real person likenesses, fake screenshots, UI text, readable text, watermarks, charts with fake num
De eerste botsingen tussen zuurstof- en neonionen bij de Large Hadron Collider (LHC) laten zien dat collectief gedrag en energieverlies van quarks en gluonen ook kunnen ontstaan in systemen die veel kleiner zijn dan traditionele lood-loodbotsingen. Samen vormen de metingen van de vier grote LHC-experimenten sterke, elkaar aanvullende aanwijzingen voor quark-gluonplasma-achtig materiaal — maar niet voor een volledig thermisch geëquilibreerde vloeistof in elke afzonderlijke botsing. 19
Tijdens de campagne met lichte ionen botste CERN zuurstof-16 op zuurstof-16 en neon-20 op neon-20 bij een botsingsenergie van 5,36 TeV per nucleonpaar. Doordat de energie in beide systemen vergelijkbaar is, kunnen onderzoekers de verschillen in de gemeten stromingspatronen vooral koppelen aan de omvang en geometrie van de botsende kernen. 817
ALICE mat elliptische en driehoekige stroming, meestal aangeduid als v₂ en v₃, in zowel zuurstof-zuurstof- als neon-neonbotsingen. Deze coëfficiënten beschrijven hoe de richtingen van de uitgaande deeltjes over de botsingsas zijn verdeeld. Een duidelijk gecorreleerd stromingssignaal past bij materiaal dat collectief reageert op de aanvankelijke vorm van de botsingszone, in plaats van bij deeltjes die volledig onafhankelijk van elkaar ontsnappen.
Dat is belangrijk omdat stroming een van de belangrijkste kenmerken is waarmee vloeistofachtig materiaal uit de kwantumchromodynamica (QCD) wordt onderzocht. In zulke kleine systemen is het echter nauwkeuriger om te spreken van collectief, QGP-achtig gedrag dan van bewijs dat de hele ‘vuurbal’ lokaal volledig in evenwicht is gekomen.
ATLAS zag in zuurstof-zuurstof- en neon-neonbotsingen een onbalans tussen paren jets die aanvankelijk rug aan rug worden geproduceerd. Die onbalans is groter bij centralere, meer frontale botsingen en wordt geïnterpreteerd als energieverlies van partonen — de quarks en gluonen waaruit de jets voortkomen — tijdens hun passage door het gevormde materiaal. CERN noemt dit een ondubbelzinnige waarneming van het energieverlieseffect. 1
Deze meting vormt een aanvulling op de stromingsresultaten. Stroming laat zien dat het gevormde materiaal collectief reageert; de jet-onbalans laat zien dat energierijke partonen onderweg met dat materiaal wisselwerken.
CMS mat twee- en vierdeeltjescorrelaties over bijna vijf eenheden pseudorapiditeit — een maat voor de richting van deeltjes ten opzichte van de botsingsas. In beide systemen werden bij 5,36 TeV per nucleonpaar significante elliptische en driehoekige stromingsharmonischen gevonden. 17
Correlaties over zo’n lange afstand passen bij een collectieve respons die zich over een aanzienlijk deel van de botsing uitstrekt. CMS rapporteerde daarnaast een onderdrukking van de productie van geladen deeltjes in de lichte-ionensystemen ten opzichte van proton-protonbotsingen, een ander effect dat gevoelig is voor de aanwezigheid van QGP en door CERN wordt samengevat. 1
CERN meldt dat ook LHCb, naast ALICE, ATLAS en CMS, signalen vond die verband houden met QGP in het programma met zuurstof en neon. 19 De beschikbare resultaten specificeren niet welke afzonderlijke LHCb-grootheid daarvoor verantwoordelijk is. Daarom zou het misleidend zijn om hier een concreet LHCb-signaal aan toe te schrijven. De betekenis van LHCb ligt in dit overzicht vooral in het feit dat de aanwijzingen afkomstig zijn van alle vier de grote LHC-samenwerkingen, en niet van één detector of analyse.
Dezelfde stromingsmetingen die collectief gedrag aantonen, kunnen ook informatie geven over de kernen vóór de botsing. Het principe is eenvoudig: als het aanvankelijke overlapgebied langgerekt is, zet de collectieve expansie die ruimtelijke asymmetrie om in een sterker elliptisch patroon in de bewegingsrichtingen van de uiteindelijke deeltjes.
Bij centrale zuurstof-zuurstofbotsingen is het overlapgebied relatief rond. De overblijvende elliptische stroming wordt daardoor sterker beïnvloed door toevallige gebeurtenis-tot-gebeurtenisvariaties dan door een grote, blijvende vervorming van de zuurstofkern. Hydrodynamische berekeningen waarin de kernstructuur van zuurstof is verwerkt, beschrijven dit gedrag.
Centrale neon-neonbotsingen laten onder vergelijkbare omstandigheden een sterkere elliptische stroming zien dan zuurstof-zuurstofbotsingen. De voorkeursinterpretatie is dat neon-20 een prolate, intrinsiek langgerekte vorm heeft — vaak omschreven als een bowlingpin. Omdat de kernen bij een botsing verschillend georiënteerd kunnen zijn, beïnvloedt hun oriëntatie de overlapgeometrie en daarmee het gemeten v₂-signaal. 11
Dat maakt botsingen met lichte ionen interessant voor twee soorten onderzoek tegelijk. Ze testen of een minuscuul, kortlevend systeem collectief kan reageren, terwijl diezelfde collectieve respons informatie geeft over de manier waarop nucleonen in de botsende kern zijn gerangschikt.
Stromingsmetingen tonen collectief gedrag, maar zeggen op zichzelf niet welk deel van het gevormde materiaal lokaal in evenwicht komt. Een studie die gebruikmaakt van Tetsufumi Hirano’s dynamische core-coronamodel probeert precies die vraag te beantwoorden. Het model splitst de botsing op in twee zich ontwikkelende componenten:
Voor zuurstof-zuurstofbotsingen bij 5,36 TeV vindt het model dat de bijdrage van de core groter wordt dan die van de corona zodra de geladen-deeltjesmultipliciteit rond de midrapiditeit ongeveer 20 bereikt.
Die overgang is geen scherpe ‘QGP-schakelaar’. Zelfs in de meest centrale zuurstof-zuurstofbotsingen blijft een aanzienlijke coronabijdrage aanwezig. De hier besproken studie plaatst dat resterende niet-geëquilibreerde aandeel op ongeveer 30% en benadrukt dat het niet verwaarloosbaar is.
Het fysieke beeld is daarom dat van geleidelijke thermalisatie. Naarmate de multipliciteit en de interactiedichtheid toenemen, kan een steeds groter deel van het systeem worden beschreven als een geëquilibreerde core. Tegelijkertijd bevat een eindig botsingssysteem nog steeds materiaal dat niet volledig aan de vloeistof deelneemt.
Hydrodynamica is nuttig om de collectieve core te beschrijven, maar een klein botsingssysteem kan niet automatisch als één uniforme vloeistof worden behandeld. Een realistische beschrijving moet ook rekening houden met de corona, fluctuaties in de begintoestand, de eindige systeemgrootte en de overgang tussen ijle deeltjesproductie en vloeistofachtig QCD-materiaal.
Dat onderscheid is belangrijk bij de interpretatie van de resultaten uit 2025. De waarnemingen ondersteunen collectief gedrag dat samenhangt met de vorming van QGP-achtig materiaal, maar betekenen niet dat elk geproduceerd deeltje door hetzelfde geëquilibreerde medium is gegaan. De sterkste conclusie is genuanceerder: QGP-achtig materiaal kan ontstaan in kleine kernen, terwijl het geëquilibreerde aandeel continu verandert met de activiteit van de botsing.
Zuurstof en neon bieden een nuttige scan in omvang en vorm tussen protonbotsingen en zware lood-loodsystemen. Onderzoekers kunnen de kerngeometrie variëren terwijl de botsingsenergie en de globale systeemgrootte ongeveer vergelijkbaar blijven. 811
Daarmee ontstaat een nieuwe aanpak voor drie samenhangende vragen:
Toekomstige botsingen met nog lichtere kernen, zoals helium-4, zouden deze test verder kunnen aanscherpen. Ze kunnen onderzoeken of collectieve signalen overeind blijven wanneer het systeem nog kleiner wordt en of microscopisch transport een grotere rol moet overnemen van een puur hydrodynamische beschrijving. Dat is een voorgestelde richting voor toekomstig onderzoek, geen vastgesteld resultaat van de campagne uit 2025.
Studio Global AI
This page includes a source-backed answer you can continue inside Studio Global.
De LHC botste in 2025 voor het eerst zuurstof 16 en neon 20 op 5,36 TeV per nucleonpaar, veel lichtere systemen dan de gebruikelijke lood loodbotsingen.
De LHC botste in 2025 voor het eerst zuurstof 16 en neon 20 op 5,36 TeV per nucleonpaar, veel lichtere systemen dan de gebruikelijke lood loodbotsingen. ALICE en CMS maten collectieve stroming, terwijl ATLAS energieverlies van partonen in het gevormde hete medium waarnam.
De patronen in de deeltjesstroming wijzen erop dat zuurstof 16 relatief rond is, terwijl neon 20 een langgerekte, ‘bowlingpinachtige’ vorm heeft.