Het duidelijkste recente voorbeeld komt uit Le Porge in de Franse Gironde, nadat grote bosbranden het zuidwesten van Frankrijk hadden geteisterd. Specialisten van de civiele bescherming haalden tijdens een ruimingsoperatie meer dan 400 granaten en andere munitie uit de grond. Bewoners meldden bovendien explosies die volgens de autoriteiten verband konden houden met oude granaten die door de brand waren blootgelegd of aangetast.
De grotere brand bij Bordeaux verwoestte ongeveer 420 vierkante kilometer en vernietigde 183 woningen. Daarmee werd duidelijk waarom onontplofte munitie zo’n lastig secundair gevaar vormt: ze kan tevoorschijn komen wanneer bewoners terugkeren naar een al verwoest gebied en hulpdiensten beginnen met het opruimen van het landschap.
Een grote bosbrand legde ongeveer 27 tot 30 vierkante kilometer van de Hoge Venen in België in de as. Dit natuurgebied ligt in de provincie Luik, vlak bij de Duitse grens. Door de veranderende wind en verspreidende rook kregen ongeveer 600 inwoners van omliggende gemeenten het advies om te evacueren.
De Hoge Venen dragen ook de sporen van de gevechten uit de twintigste eeuw. Volgens The Associated Press waren er sporadische ontploffingen in het gebied toen de brand over terrein trok dat met gevechten uit de Tweede Wereldoorlog wordt geassocieerd, onder meer rond Elsenborn.
Voor hulpdiensten maken vuur, rook, moeilijk terrein en mogelijk begraven wapentuig de toegang extra riskant. Zelfs wanneer geen enkele hulpverlener gewond raakt, kan de dreiging door munitie bepalen waar brandweerlieden mogen werken en hoe zij het vuur benaderen.
Ook Duitse branden woedden in gebieden waar nog munitie uit oorlogstijd ligt. In Gohrischheide, in het oosten van Duitsland, bestreden brandweerlieden een bosbrand in terrein dat nog altijd vervuild is met munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Een andere brand bij de Belgische grens kwam tot op ongeveer 300 meter van het dorp Gey. Daar bemoeilijkte onontplofte munitie de bluswerkzaamheden.
In Nederland werd een team voor explosievenopruiming ingezet bij een door brand bedreigd bos in de buurt van Limburg, waar in 1944 zwaar werd gevochten. Die inzet laat zien dat een natuurbrand ook zonder ontploffing direct een opruimingsprobleem kan veroorzaken: eerst moet worden vastgesteld of blootgelegde objecten gevaarlijk zijn voordat brandweerlieden of bewoners het gebied veilig kunnen betreden.
Het risico is reëel, maar dat betekent niet dat elke natuurbrand een kettingreactie van explosies veroorzaakt. Het gevaar is vooral geconcentreerd in gebieden met een geschiedenis van bombardementen, militaire activiteiten of grondgevechten. De ernst hangt bovendien af van het soort munitie, de staat ervan en de plek waar die ligt.
De belangrijkste directe risico’s zijn:
De aanpak in de Hoge Venen laat het verschil zien tussen een ernstig gevaar en een ramp met veel slachtoffers: de gemelde ontploffingen veranderden de omstandigheden voor de hulpdiensten, maar Belgische autoriteiten zeiden dat brandweerlieden bij die incidenten niet in gevaar waren.
Droogte brengt oorlogsresten aan het licht op plaatsen waar helemaal geen bosbrand woedt. Wanneer rivieren zakken, verdwijnen het water en het slib die militair materieel en onontplofte munitie verborgen hielden. In heel Europa zijn meldingen gedaan van resten uit de Tweede Wereldoorlog die door droogte in waterlopen zichtbaar werden, onder meer langs de Donau en in Boedapest.
Daarom spreken onderzoekers en analisten over het opnieuw activeren van Europa’s begraven oorlogserfenis. Klimaatverandering heeft de bommen en mijnen niet veroorzaakt. Heettere en drogere omstandigheden kunnen branden wel intenser maken en dieper laten doordringen in grond die eerder beschermd was. Tegelijkertijd leggen lage rivierstanden objecten in rivierbeddingen bloot.
Het gevaar is niet gelijkmatig over Europa verdeeld. Het blijft vooral aanwezig in regio’s die zwaar zijn gebombardeerd of waar loopgravenoorlogen, terugtrekkende legers of langdurige grondgevechten plaatsvonden. De Hoge Venen en de voormalige slagvelden langs de Belgisch-Duitse grens zijn actuele voorbeelden; de terugkerende vondsten in Frankrijk maken deel uit van een veel ouder patroon van vervuiling door oorlogsmaterieel.
Voor gemeenschappen in en rond zulke landschappen is die erfenis dan ook meer dan geschiedenis. Een brand, droogteperiode of bouwproject kan voorwerpen blootleggen die tientallen jaren onder de grond lagen. Juist nu extreem weer vaker druk legt op hulpdiensten, wordt de kans groter dat die oude wapens opnieuw aan de oppervlakte komen.