DJI klaagde het ministerie van Defensie in oktober 2024 aan op basis van de Administrative Procedure Act en het Vijfde Amendement van de Amerikaanse grondwet. Het bedrijf stelde dat de aanwijzing onvoldoende werd ondersteund en toegelicht, dat de rechtsbescherming tekortschiet en dat de kwalificatie aanzienlijke reputatie- en bedrijfsschade had veroorzaakt.
Op 26 september 2025 liet de Amerikaanse districtsrechtbank voor het District of Columbia de aanwijzing in stand. Volgens DJI wees de rechtbank verschillende beweringen van de overheid af, maar vond zij andere gronden toch voldoende om DJI op de lijst te houden.
DJI ging daarop in beroep. Het bedrijf presenteert zichzelf consequent als een civiele onderneming voor drones en cameratechnologie, die niet eigendom is van en niet wordt gecontroleerd door de Chinese overheid en geen banden heeft met het Chinese leger.
De fabrikant voert ook aan dat de mogelijke militaire betekenis van zijn producten voortkomt uit het algemene ‘dual-use’-karakter van commercieel verkrijgbare drones. Volgens DJI gaat het niet om militaire eigendom, de productie van militaire apparatuur of marketing voor gevechtsgebruik. Het bedrijf zegt gevechtsgebruik te veroordelen en beleid en maatregelen te hebben ingevoerd om dergelijk gebruik te ontmoedigen of te voorkomen.
De districtsrechtbank vond die argumenten niet doorslaggevend voor de wettelijke vraag. Volgens de rechtbank nemen DJI’s regels tegen militair gebruik niet weg dat de technologie theoretisch en daadwerkelijk voor militaire toepassingen kan worden gebruikt.
Op 14 augustus 2026 bevestigde het hof van beroep een deel van het oordeel van de lagere rechtbank, draaide het een ander deel terug en verwees het de zaak terug voor verdere behandeling.
De kern van de uitspraak is de conclusie dat DJI bijdraagt aan de Chinese defensie-industriële basis. De lagere rechtbank mocht die conclusie niet handhaven op basis van uitsluitend het openbare dossier, terwijl de openbare uitleg van Defensie volledig was weggelakt. Section 1260H staat de overheid juist toe om ondersteunend geheim materiaal vertrouwelijk en achter gesloten deuren aan de rechter voor te leggen.
De lagere rechtbank moet daarom het volledige bestuursdossier beoordelen, inclusief de geheime informatie. Daarna moet zij bepalen of deze specifieke rechtvaardiging voldoende wordt ondersteund en juridisch standhoudt.
Dat is een beperkte uitspraak. Het hof heeft niet vastgesteld dat DJI niets met de Chinese defensiesector te maken heeft, heeft niet alle gronden voor de aanwijzing verworpen en heeft geen onmiddellijke verwijdering van DJI van de Pentagonlijst bevolen. Volgens berichtgeving over het arrest wees het hof drie bredere bezwaren van DJI af; alleen het probleem rond de beoordeling van het geheime dossier werd terugverwezen.
Bij nationale-veiligheidsbesluiten beroept de overheid zich vaak op informatie die niet openbaar kan worden gemaakt. Het hof van beroep heeft niet gezegd dat Defensie geen geheim materiaal mag gebruiken. Wel moet de rechter de informatie daadwerkelijk beoordelen waarop de overheid haar conclusie baseert, wanneer het openbare dossier een centrale beslissing niet zelfstandig verklaart.
Dat onderscheid is ook van belang voor andere bedrijven die met vergelijkbare aanwijzingen te maken krijgen. Gevoelige informatie kan voor het publiek worden afgeschermd, maar een rechter moet wel een betekenisvolle controle kunnen uitvoeren van het bewijs achter het overheidsbesluit. De uitspraak gaat daardoor niet alleen over DJI, maar ook over de manier waarop nationale-veiligheidsclassificaties juridisch worden getoetst.
DJI verkoopt consumenten- en commerciële drones aan overheden, bedrijven en hobbyisten. Ze worden onder meer gebruikt voor beeldvorming, inspecties, openbare veiligheid, cartografie en landbouwtoepassingen.
In de landbouw kunnen drones worden ingezet voor veldbeelden, gewascontrole, kartering en toepassingen binnen precisielandbouw. Grand View Research schatte de Amerikaanse markt voor landbouwdrones in 2024 op 506,3 miljoen dollar en noemt DJI als een van de actieve bedrijven in deze markt.
De uitspraak verandert niet automatisch wat iedere Amerikaanse klant mag kopen of gebruiken. De zaak op grond van Section 1260H staat los van mogelijke andere beperkingen rond import, overheidsaankopen, telecommunicatie, luchtvaart en goedkeuring van apparatuur.
Voor landbouwbedrijven en commerciële drone-exploitanten is de onmiddellijke boodschap daarom: de praktijk blijft voorlopig grotendeels hetzelfde, maar de juridische onzekerheid blijft bestaan. DJI blijft aangewezen zolang de lagere rechtbank de opgedragen herbeoordeling uitvoert. De uiteindelijke uitkomst kan bepalen hoe sterk het bedrijf zijn verwijdering van de Pentagonlijst kan afdwingen, maar het arrest van 14 augustus haalt DJI er op zichzelf niet vanaf en vormt geen definitieve uitspraak over al zijn bredere bezwaren.