In een gecontroleerd experiment raakten katten eerst gewend aan een urinemonster. Daarna veranderden de onderzoekers alleen de BFA-fractie die van de donor afkomstig was, terwijl andere lipiden in de urine onder controle werden gehouden. De katten gingen vervolgens meer snuffelen. Dat wijst erop dat ze verschillen in de specifieke BFA-mengsels konden waarnemen — en niet alleen reageerden op een algemene verandering in geur.
De BFA’s werden wel in nierweefsel aangetroffen, maar niet in de andere onderzochte weefsels. Bovendien zaten lipiden met deze vetzuren in druppels in de nierschors. De onderzoekers stellen daarom voor dat de opvallend talrijke nierdruppels een voorraad aanleggen waaruit de geurstoffen geleidelijk beschikbaar komen.
Zo’n voorraad zou kortetermijninvloeden, zoals veranderingen in voeding, gezondheid of lichamelijke toestand, kunnen afvlakken. De chemische identiteit van een kat zou daardoor relatief constant blijven, ook wanneer de precieze samenstelling van de urine tijdelijk varieert.
Belangrijk is wel dat dit nog een voorgesteld mechanisme is. De studie laat zien dat de chemische en gedragsbevindingen bij zo’n reservoirmodel passen, maar heeft niet rechtstreeks aangetoond hoe voeding of een gezondheidsverandering de geuridentiteit beïnvloedt — of hoe de vetzuren precies vanuit de nierlipiden in de urine terechtkomen. Dat laatste blijft een belangrijke open vraag.
Verwante stoffen in urine en lipidedruppels in de nieren werden ook gevonden bij leeuwen, tijgers, luipaarden, jaguars, lynxen en de Iriomote-kat. De samenstelling van de stoffen en de hoeveelheid en verspreiding van de nierdruppels verschilden per soort. Ook de Iriomote-kat en de Tsushima-luipaardkat lieten onderling verschillen zien, wat kan wijzen op evolutionaire diversificatie.
Of wilde katachtigen deze stoffen daadwerkelijk gebruiken om individuele soortgenoten te herkennen, is nog niet getest. De bevindingen laten dus vooral zien dat het chemische systeem breder binnen de kattenfamilie voorkomt; de precieze functie in het wild moet nog worden onderzocht.
Als het BFA-profiel van een individu in veldmonsters betrouwbaar en herhaalbaar blijkt, kan urine een niet-invasieve manier worden om zeldzame wilde katachtigen te volgen. Onderzoekers zouden dan mogelijk individuen kunnen onderscheiden zonder dieren te vangen of te verdoven — al is daarvoor nog aanvullend onderzoek nodig.
Ook voor huiskatten kan het inzicht op termijn relevant zijn. Een beter begrip van de stoffen die kattenurine zo herkenbaar en hardnekkig maken, zou kunnen helpen bij de ontwikkeling van manieren om geur te beheersen. De studie levert echter nog geen direct product of behandeling op.