Tussen 2070 en 2100 kan het jaarlijks verbrande oppervlak in Europa met ongeveer 39% toenemen bij SSP1 2.6 en met 192% bij SSP3 7.0. De grootste absolute risico’s blijven in het Middellandse Zeegebied liggen, maar brandgevaarlijke omstandigheden breiden zich noordwaarts uit.
Research answer

Create a landscape editorial hero image for this Studio Global article: What does the Global Change Biology study led by the Potsdam Institute for Climate Impact Research and the Senckenberg Society for Nature Re. Article summary: The study’s central message is that emissions cuts are necessary but not sufficient: worsening fire weather raises Europe’s burned area even under a low-emissions pathway, while high emissions could nearly triple it. The. Topic tags: general, government, news, general web, academic. Style: premium digital editorial illustration, source-backed research mood, clean composition, high detail, modern web publication hero. Use reference image context only for broad subject, composition, and topical grounding; do not copy the exact image. Avoid: logos, brand marks, copyrighted characters, real person likenesses, fake screenshots, UI text, readable text, watermarks, ch
Een nieuwe studie onder leiding van het Potsdam-Institut für Klimafolgenforschung, met bijdragen van de Senckenberg Gesellschaft für Naturforschung, schetst een moeilijke keuze voor Europa. Zelfs krachtig klimaatbeleid voorkomt mogelijk niet dat natuurbranden meer schade aanrichten. Bij aanhoudend hoge uitstoot kan het oppervlak dat jaarlijks in brand vliegt tegen het einde van deze eeuw bijna verdrievoudigen.
De studie voorspelt niet hoe één specifiek brandseizoen eruit zal zien. De onderzoekers vergelijken het gemodelleerde gemiddelde jaarlijkse verbrande oppervlak in 2070–2100 met de huidige situatie. Daarbij bekijken ze hoe veranderend brandweer — de combinatie van weersomstandigheden die vegetatie extra brandbaar maakt en vuur sneller laat uitbreiden — en de capaciteit voor natuurbrandbeheer het langetermijnrisico in Europa kunnen beïnvloeden.
Volgens de studie kan verslechterend brandweer op zichzelf het jaarlijkse verbrande oppervlak in Europa met ongeveer 39% doen toenemen onder SSP1-2.6, een scenario met relatief lage uitstoot. Onder SSP3-7.0, een scenario met hoge uitstoot, kan de stijging oplopen tot ongeveer 192% — bijna drie keer het huidige niveau.
Het gaat om veranderingen in het gemodelleerde jaarlijkse gemiddelde, niet om de omvang van één toekomstige natuurbrand. Ook meten deze percentages specifiek het effect van slechtere weersomstandigheden voor branden. Dat onderscheid is belangrijk: emissiereducties beperken hoe sterk het gevaarlijke brandweer verslechtert, terwijl beter natuur- en brandbeheer de schade kan beperken bij een bepaald risiconiveau.
Zuid-Europa blijft naar verwachting de zwaarst getroffen regio, vooral de brandgordel rond de Middellandse Zee. Het risico blijft echter niet beperkt tot landen die al bekendstaan om grote zomerbranden. Zowel de studie als bredere Europese beoordelingen wijzen op een uitbreiding van brandgevaarlijke omstandigheden naar noordelijker gebieden, waar minder ervaring kan zijn met grote natuurbranden.
Ook het Europees Milieuagentschap verwacht in het grootste deel van Europa langere brandseizoenen en een uitbreiding van gebieden die gevoelig zijn voor natuurbranden, vooral bij hogere uitstootscenario’s. Andere modellen voor brandweer laten zien dat extreme omstandigheden vaker, heviger en op grotere schaal kunnen voorkomen. De sterkste veranderingen worden in Zuid-Europa verwacht, met een noordwaartse uitbreiding naarmate de opwarming verder toeneemt.
Het risico op natuurbranden neemt toe wanneer planten en bodembedekking vocht verliezen en het weer snelle vlamverspreiding mogelijk maakt. Hogere temperaturen, langdurige droogte, een lage luchtvochtigheid en krachtige wind kunnen ervoor zorgen dat een kleine brand zich snel ontwikkelt tot een vuur dat moeilijk onder controle te krijgen is.
De centrale maatstaf in de studie is brandweer: een combinatie van atmosferische omstandigheden die vegetatie brandbaarder maakt en de verspreiding van vuur bevordert. De cijfers van 39% en 192% mogen daarom niet worden opgevat als het rechtstreekse gevolg van één afzonderlijke factor, of als een gelijke toename in elke regio. Plaatselijke vegetatie, de kans op ontsteking, landgebruik en de capaciteit van hulpdiensten bepalen mede hoeveel land uiteindelijk afbrandt.
De studie concludeert dat verdere verbetering van de capaciteit voor natuurbrandbeheer de verwachte toename aanzienlijk kan afremmen. In de modelresultaten verminderden zulke verbeteringen het verbrande oppervlak met ongeveer 72% tot 92% ten opzichte van scenario’s zonder die vooruitgang. Toch neemt de brandactiviteit bij sterke klimaatverandering nog steeds toe in ongeveer 55% van de brandgevoelige regio’s in Europa wanneer investeringen in beheer op het huidige niveau blijven.
Maatregelen die kunnen helpen zijn onder meer:
Dergelijke maatregelen kunnen de blootstelling verminderen en voorkomen dat een beginnende brand uitgroeit tot een grote natuurbrand. Ze hebben wel grenzen. Uitzonderlijk droge vegetatie in combinatie met harde wind kan de bestrijding overweldigen, zelfs wanneer vliegtuigen, brandweerlieden en detectiesystemen beschikbaar zijn. Brandbeheer beperkt de gevolgen, maar neemt de klimaatcondities die extreme branden waarschijnlijker maken niet weg.
Het brandseizoen van 2026 geeft de langetermijnprojecties een herkenbare context, maar bewijst niet dat de voorspelde omstandigheden voor het einde van deze eeuw al zijn aangebroken.
Het Joint Research Centre van de Europese Commissie registreerde tot 18 augustus 2026 606.327 hectare die in de EU was afgebrand. Dat was minder dan de 957.510 hectare die op dezelfde datum in 2025 was geregistreerd, maar ruim boven het langetermijngemiddelde van 243.189 hectare over 2006–2025.
Het seizoen liet ook zien hoe breed het risico geografisch kan zijn. Branden troffen onder meer Frankrijk, Spanje en Griekenland. In de Belgische Hoge Venen ging ongeveer 3.000 hectare in vlammen op; Reuters beschreef dit als de grootste natuurbrand die België ooit heeft geregistreerd. Op 19 augustus hadden acht landen het EU-mechanisme voor civiele bescherming geactiveerd voor hulp bij natuurbranden.
Nieuwsberichten maakten daarnaast melding van meer dan twintig doden en honderdduizenden evacués tijdens het seizoen, onder wie meer dan 300.000 mensen die in Frankrijk en Spanje hun woning moesten verlaten. Deze aantallen zijn tijdsgevoelig en hangen af van de datum en geografische reikwijdte van elk bericht. Ze mogen daarom niet rechtstreeks worden vergeleken met de jaarlijkse gemiddelden van het onderzoek, die een ander soort meting zijn.
De relatie met de studie is dus richtinggevend, niet deterministisch. De branden van 2026 passen bij een Europa waarin extreme brandomstandigheden grotere gevolgen hebben en zich over een groter gebied voordoen. Eén seizoen kan de projecties tot 2100 echter niet bevestigen of aan klimaatverandering toeschrijven.
De Europese strategie voor natuurbranden richt zich op vier samenhangende onderdelen: preventie, voorbereiding, bestrijding en herstel. Ook ecosysteemgerichte maatregelen maken daar deel van uit, met als doel landschappen weerbaarder tegen vuur te maken.
Die koers weerspiegelt de beperkingen en kosten van een model dat vooral op bestrijding reageert. Onderzoek waar Europese instellingen naar verwijzen, schat dat elke €1 die in preventie wordt geïnvesteerd ongeveer €4 tot €7 aan kosten voor bestrijding en herstel kan besparen. Het gaat om een schatting uit meerdere onderzoeken, niet om een gegarandeerd rendement voor elk afzonderlijk project. De uitkomst hangt af van waar en hoe het geld wordt besteed.
De beschikbare bronnen tonen niet aan dat €2,1 miljard precies het EU-bedrag is dat bij deze studie of strategie hoort. De betekenis van dat bedrag hangt af van de financieringsperiode, de vraag of nationale uitgaven zijn meegerekend en welke preventie- en bestrijdingsprogramma’s onder de berekening vallen. Een betrouwbare vergelijking vereist dat die reikwijdte wordt vastgelegd.
De studie ondersteunt een tweesporenaanpak. Europa moet de uitstoot snel terugdringen om het veel steilere traject bij hoge uitstoot te vermijden. Tegelijk zijn investeringen nodig in preventie, veerkrachtige landschappen, detectie en de paraatheid van hulpdiensten.
Zelfs onder een scenario met lage uitstoot blijft tussen 2070 en 2100 een toename van het brandrisico mogelijk. Dat maakt aanpassing dringend, maar betekent niet dat emissiereductie overbodig wordt. De sterkste strategie is de klimaatdruk die tot gevaarlijker brandweer leidt beperken én tegelijk de weerbaarheid van gemeenschappen en landschappen vergroten tegen branden die preventie niet volledig kan voorkomen.
Studio Global AI
This page includes a source-backed answer you can continue inside Studio Global.
Tussen 2070 en 2100 kan het jaarlijks verbrande oppervlak in Europa met ongeveer 39% toenemen bij SSP1 2.6 en met 192% bij SSP3 7.0.
Tussen 2070 en 2100 kan het jaarlijks verbrande oppervlak in Europa met ongeveer 39% toenemen bij SSP1 2.6 en met 192% bij SSP3 7.0. De grootste absolute risico’s blijven in het Middellandse Zeegebied liggen, maar brandgevaarlijke omstandigheden breiden zich noordwaarts uit.
Het zware Europese brandseizoen van 2026 past bij de waarschuwing voor een groter en geografisch breder risico, maar één seizoen kan eeuwprojecties niet bewijzen.