Turkije wees die rechtvaardiging van de hand. Ankara ontkende onder meer dat er al Turkse militairen op de basis aanwezig waren en stelde dat Israëlische verklaringen de aanval op de Syrische soevereiniteit moesten legitimeren.
Daarbij is een belangrijk onderscheid van belang: Abu al-Duhur was nog geen operationele Turkse basis. Turkije had wel al militairen op het nabijgelegen Taftanaz, maar een daadwerkelijke inzet op Abu al-Duhur was volgens de beschikbare berichtgeving nog toekomstmuziek.
De waarschuwing van Tom Barrack draaide vooral om het gevaar van een verkeerde inschatting. Barrack, de Amerikaanse ambassadeur in Turkije en speciale gezant voor Syrië en Irak, zei dat Turkse troepen niet wisten dat Israëlische vliegtuigen naar juist deze basis onderweg waren. Ook zouden zij niet hebben geweten wat het doel van de operatie was.
Daardoor hadden Turkse militairen de naderende vliegtuigen kunnen interpreteren als een aanval op Turkse eenheden. In dat scenario hadden zij mogelijk gevechtsvliegtuigen laten opstijgen. Israëlische piloten hadden dat vervolgens weer als een Turkse tegenactie kunnen zien, waarna een aanval op een ongebruikte Syrische basis in korte tijd kon uitmonden in een rechtstreeks Israëlisch-Turks incident — met Syrië als derde betrokken partij.
Normaal gesproken moeten zogenoemde deconflictiemechanismen zulke incidenten voorkomen. Dat zijn militaire communicatiekanalen waarmee strijdende of concurrerende partijen elkaar waarschuwen over operaties in hetzelfde luchtruim. Volgens Barrack waren er geen betrouwbare kanalen tussen Israël, Turkije en Syrië die deze situatie tijdig konden opvangen. Washington werkte daarom aan stille gesprekken over het vernieuwen van een mechanisme om militaire wrijving te beperken, mogelijk met deelname van Turkije.
De aanval kwam op een moment dat Ankara nauwere banden probeerde op te bouwen met de regering van Ahmed al-Sharaa, de post-Assad-regering in Damascus. Turkije veroordeelde de Israëlische redenering en beschuldigde premier Benjamin Netanyahu van een expansionistische en destabiliserende koers.
In Turkse verklaringen en sommige analyses werd bovendien gesuggereerd dat Netanyahu de spanningen met president Recep Tayyip Erdoğan politiek uitbuitte in de aanloop naar de Israëlische verkiezingen van 27 oktober. Dat is een politieke interpretatie, geen vastgesteld feit.
De kwestie had ook gevolgen voor Washington. Turkije is lid van de NAVO en Erdoğan onderhoudt een belangrijke relatie met de Amerikaanse president Donald Trump. Tegelijkertijd uitte de regering-Trump al openlijk kritiek op Israël, terwijl Israëlische militaire operaties in Gaza, Libanon en het zuiden van Syrië de regionale spanningen verder opvoerden. Zowel Syrië als Turkije veroordeelde de aanval op Abu al-Duhur.
Barrack stelde niet dat de beschadigde basis op zichzelf een strategisch keerpunt vormde. Zijn punt was dat Israël een preventief signaal aan Turkije had afgegeven zonder voldoende militaire communicatie — en dat zo’n signaal een keten van defensieve reacties had kunnen veroorzaken.
De kern van zijn waarschuwing was daarom niet de militaire waarde van Abu al-Duhur, maar het risico dat een aanval op een nog niet operationele locatie, kort na een Turks inspectiebezoek, door miscommunicatie zou veranderen in een directe confrontatie tussen Israël, Turkije en Syrië.