De zware verliezen bij chipproducenten laten zien hoe afhankelijk de regionale aandelenmarkten zijn geworden van de wereldwijde AI-investeringsgolf. In Japan verloor de Nikkei 225 kort na de opening bijna 3%, waarbij technologie- en halfgeleideraandelen opnieuw onder druk stonden.
Ook futures op de Nasdaq 100 wezen op een lagere opening. Dat suggereerde dat de zwakte in AI-gerelateerde technologieaandelen na de vorige handelssessie in de VS nog niet voorbij was.
De terugval in Azië volgde op een zwakke sessie in de Verenigde Staten. Op 18 augustus daalde de Nasdaq met 1,33% en verloor de S&P 500 0,69%. De rente op 30-jarige Amerikaanse staatsobligaties liep kort op tot 5,3371%, het hoogste niveau sinds 2007. Brentolie sloot op 91,02 dollar per vat, de hoogste slotstand sinds 24 juli.
Die combinatie is vooral ongunstig voor groeiaandelen. Een hogere rente verlaagt de huidige waarde die beleggers toekennen aan winsten die bedrijven pas over jaren verwachten. Dat effect is het sterkst bij hoog gewaardeerde technologiebedrijven, waarvan de beurswaarde sterk leunt op groei in de verre toekomst.
De beweging op de obligatiemarkt riep bovendien vragen op over de financiering van de enorme datacenters en AI-infrastructuur die grote technologiebedrijven bouwen. Als de financieringskosten langere tijd hoog blijven, zullen beleggers waarschijnlijk duidelijker bewijs willen zien dat deze investeringen voldoende rendement opleveren.
Daarom bleef de verkoopgolf niet beperkt tot afzonderlijke chipbedrijven. Beleggers vroegen zich opnieuw af of de hoge waarderingen van halfgeleideraandelen en de omvang van de AI-uitgaven wel worden gerechtvaardigd door de toekomstige winstgroei.
De hogere olieprijs vormde een tweede bron van zorgen. Duurdere olie kan de inflatiedruk versterken, waardoor beleggers er minder zeker van worden dat de rente snel zal dalen. De onzekerheid over het beleid van de Amerikaanse Federal Reserve — en het gebrek aan duidelijke vooruitzichten — maakte het risico dat de rente langer restrictief blijft extra belangrijk voor risicovolle beleggingen.
De onrust op de oliemarkt hing samen met de impasse tussen de Verenigde Staten en Iran over de Straat van Hormuz en met bredere spanningen in het Midden-Oosten. Elke bedreiging van de energiestromen door die regio kan de verwachtingen voor verstoringen in het aanbod, inflatie en hogere wereldwijde financieringskosten aanwakkeren. Dat versterkte de defensieve stemming op de aandelenmarkten.
In het bredere marktnieuws circuleerden ook berichten over een vermeend raketincident waarbij de Verenigde Arabische Emiraten betrokken zou zijn. De beschikbare bronnen bevestigen dat specifieke bericht hier niet onafhankelijk. Het is daarom zorgvuldiger om de bredere geopolitieke risico’s en zorgen over de olietoevoer als vastgestelde marktfactoren te noemen, en niet die afzonderlijke melding.
De verliezen waren het grootst in markten met een zware blootstelling aan halfgeleiders en AI-gerelateerde technologie. Daardoor presteerde Zuid-Korea aanzienlijk slechter dan de brede regionale index. Ook de daling in Japan werd vooral door dezelfde technologiedruk bepaald.
De beschikbare berichtgeving wijst erop dat Indonesië en Hongkong relatieve uitzonderingen waren. De verkoopgolf trof dus niet elke Aziatische markt in dezelfde mate.
De kern van de beweging was een samenspel van drie factoren: een door Wall Street ingezette herziening van chipwaarderingen, hogere Amerikaanse staatsrentes die langlopende groeiaandelen minder aantrekkelijk maakten, en duurdere olie door geopolitieke onzekerheid. Samen veranderden die factoren een correctie in de chipsector in een bredere vlucht uit risico’s op de Aziatische aandelenmarkten.
De zware verliezen bij chipproducenten laten zien hoe afhankelijk de regionale aandelenmarkten zijn geworden van de wereldwijde AI-investeringsgolf. In Japan verloor de Nikkei 225 kort na de opening bijna 3%, waarbij technologie- en halfgeleideraandelen opnieuw onder druk stonden.
Ook futures op de Nasdaq 100 wezen op een lagere opening. Dat suggereerde dat de zwakte in AI-gerelateerde technologieaandelen na de vorige handelssessie in de VS nog niet voorbij was.
De terugval in Azië volgde op een zwakke sessie in de Verenigde Staten. Op 18 augustus daalde de Nasdaq met 1,33% en verloor de S&P 500 0,69%. De rente op 30-jarige Amerikaanse staatsobligaties liep kort op tot 5,3371%, het hoogste niveau sinds 2007. Brentolie sloot op 91,02 dollar per vat, de hoogste slotstand sinds 24 juli.
Die combinatie is vooral ongunstig voor groeiaandelen. Een hogere rente verlaagt de huidige waarde die beleggers toekennen aan winsten die bedrijven pas over jaren verwachten. Dat effect is het sterkst bij hoog gewaardeerde technologiebedrijven, waarvan de beurswaarde sterk leunt op groei in de verre toekomst.
De beweging op de obligatiemarkt riep bovendien vragen op over de financiering van de enorme datacenters en AI-infrastructuur die grote technologiebedrijven bouwen. Als de financieringskosten langere tijd hoog blijven, zullen beleggers waarschijnlijk duidelijker bewijs willen zien dat deze investeringen voldoende rendement opleveren.
Daarom bleef de verkoopgolf niet beperkt tot afzonderlijke chipbedrijven. Beleggers vroegen zich opnieuw af of de hoge waarderingen van halfgeleideraandelen en de omvang van de AI-uitgaven wel worden gerechtvaardigd door de toekomstige winstgroei.
De hogere olieprijs vormde een tweede bron van zorgen. Duurdere olie kan de inflatiedruk versterken, waardoor beleggers er minder zeker van worden dat de rente snel zal dalen. De onzekerheid over het beleid van de Amerikaanse Federal Reserve — en het gebrek aan duidelijke vooruitzichten — maakte het risico dat de rente langer restrictief blijft extra belangrijk voor risicovolle beleggingen.
De onrust op de oliemarkt hing samen met de impasse tussen de Verenigde Staten en Iran over de Straat van Hormuz en met bredere spanningen in het Midden-Oosten. Elke bedreiging van de energiestromen door die regio kan de verwachtingen voor verstoringen in het aanbod, inflatie en hogere wereldwijde financieringskosten aanwakkeren. Dat versterkte de defensieve stemming op de aandelenmarkten.
In het bredere marktnieuws circuleerden ook berichten over een vermeend raketincident waarbij de Verenigde Arabische Emiraten betrokken zou zijn. De beschikbare bronnen bevestigen dat specifieke bericht hier niet onafhankelijk. Het is daarom zorgvuldiger om de bredere geopolitieke risico’s en zorgen over de olietoevoer als vastgestelde marktfactoren te noemen, en niet die afzonderlijke melding.
De verliezen waren het grootst in markten met een zware blootstelling aan halfgeleiders en AI-gerelateerde technologie. Daardoor presteerde Zuid-Korea aanzienlijk slechter dan de brede regionale index. Ook de daling in Japan werd vooral door dezelfde technologiedruk bepaald.
De beschikbare berichtgeving wijst erop dat Indonesië en Hongkong relatieve uitzonderingen waren. De verkoopgolf trof dus niet elke Aziatische markt in dezelfde mate.
De kern van de beweging was een samenspel van drie factoren: een door Wall Street ingezette herziening van chipwaarderingen, hogere Amerikaanse staatsrentes die langlopende groeiaandelen minder aantrekkelijk maakten, en duurdere olie door geopolitieke onzekerheid. Samen veranderden die factoren een correctie in de chipsector in een bredere vlucht uit risico’s op de Aziatische aandelenmarkten.