De constructie is geen volwaardig alternatief voor de normale export via Ras Tanura. Het gaat om een selectieve noodregeling, waarbij de planning, beschikbaarheid van schepen en bereidheid van kopers en verzekeraars per lading kunnen verschillen.
De aanpak vertoont duidelijke overeenkomsten met het shuttlemodel van ADNOC, de staatsoliemaatschappij van Abu Dhabi. Daarbij brengen kleinere schepen ruwe olie door of langs het gevaarlijke gebied, waarna grotere tankers de lading buiten Hormuz overnemen. De operatie van ADNOC is volgens berichtgeving verder ontwikkeld en zou al meer dan 100 miljoen vaten hebben vervoerd.
Voor Aramco is de STS-constructie vooralsnog vooral een contingentieoplossing. Ze kan bepaalde volumes redden, maar vervangt niet de reguliere exportcapaciteit van Saudi-Arabië.
Toen de scheepvaart door Hormuz sterk werd verstoord, leidde Saudi-Arabië meer olie via de East-West-pijpleiding, ook wel Petroline genoemd, naar Yanbu aan de Rode Zee. In theorie kan die route grote hoeveelheden olie naar de westkust van het land brengen. In de praktijk vormen pijpleidingdoorvoer, terminalcapaciteit en beschikbare tankers al beperkingen.
Daar komt de veiligheidssituatie bij. Tankers die vanuit Yanbu naar Azië varen, moeten de Rode Zee uit en vervolgens het gebied rond de Bab el-Mandeb bij Jemen passeren. Houthi-dreigingen hebben ertoe geleid dat tankers met Saudi-olie omkeerden of hun route verlegden. Volgens berichtgeving werden recente ladingen vanuit Yanbu bovendien uitgevoerd terwijl de AIS-signalen — het automatische identificatiesysteem voor schepen — waren uitgeschakeld. Daardoor is de exportactiviteit moeilijker publiek te volgen.
Saudi-Arabië heeft ook meer olie via de pijpleiding door Egypte naar de mediterrane haven Sidi Kerir gestuurd. Die route vermijdt de zuidelijke toegang tot de Rode Zee, maar maakt reizen naar Azië langer en brengt extra overslag- en transportkosten met zich mee.
Nu de route via de Rode Zee kwetsbaarder is geworden, lijkt Aramco opnieuw meer ladingen vanuit terminals binnen de Straat van Hormuz te organiseren. Rond het grote exportcomplex Ras Tanura en de bijbehorende laadpunten bij Ju’aymah zijn weer zeer grote olietankers — VLCC’s, die ongeveer 2 miljoen vaten kunnen vervoeren — waargenomen. Ook zouden meerdere schepen hebben gewacht om te laden.
Dat wijst op een gedeeltelijke terugkeer naar de Golf, maar niet op herstel van normale omstandigheden. Aramco heeft sommige toewijzingen voor Aziatische klanten voor september volgens bronnen ad hoc afgehandeld in plaats van via de gebruikelijke planning. Voor raffinaderijen betekent dat minder zekerheid over laadplaatsen, vertrektijden en aankomstdata.
Indiase raffinaderijen behoren tot de Aziatische kopers die met hogere risico’s en minder voorspelbare leveringen te maken hebben. Sommige raffinaderijen zouden liever geen ladingen zelf ophalen in Yanbu, omdat het moeilijker wordt schepen te vinden die bereid zijn door de bedreigde Rode Zee te varen.
Er zijn aanwijzingen voor zwakkere leveringszekerheid en toenemende concurrentiedruk voor Aramco in India. De beschikbare berichtgeving biedt echter onvoldoende basis om een exacte verandering van Aramco’s marktaandeel in India te berekenen. Wel is duidelijk dat prijs, route, verzekering en de verantwoordelijkheid voor het transport zwaarder meewegen in de aankoopbeslissing.
Aramco verlaagde de officiële verkoopprijs — de OSP — van Arab Light voor Azië in september tot 2 dollar per vat onder het gemiddelde van de Oman/Dubai-benchmark. Dat was volgens berichtgeving het laagste niveau in zes jaar.
Een OSP is echter slechts het prijsverschil voor de ruwe olie ten opzichte van een regionale benchmark. Aziatische kopers betalen daarnaast mogelijk meer voor:
Daarom kan een lagere officiële verkoopprijs samengaan met hogere totale leveringskosten. Sommige Indiase raffinaderijen zouden voor olie die via Sidi Kerir wordt geladen zelfs een korting van 5 tot 10 dollar per vat hebben gevraagd, als compensatie voor de afwijkende logistiek.
De Verenigde Arabische Emiraten beschikken over een pijpleiding naar Fujairah die Hormuz geografisch omzeilt. Die pijpleiding kan echter niet alle UAE-olie-exporten verwerken. ADNOC blijft daarom afhankelijk van shuttletankers en offshore-overdrachten.
Ook Petroline biedt Saudi-Arabië geen onbeperkte uitweg. Reuters meldde dat de uitvoer via Yanbu tijdens de eerste omleiding bijna 2 miljoen vaten per dag benaderde, terwijl Saudi-Arabië naar schatting 5 tot 6 miljoen vaten per dag van Hormuz zou moeten omleiden. De effectieve verlichting wordt dus begrensd door:
De omgeleide stromen, geheime of minder zichtbare shuttlevaarten en hervatte ladingen vanuit de Golf hebben geholpen om een nog grotere fysieke aanbodschok te voorkomen. Daardoor zijn de meest extreme scenario’s voor olieprijzen en energiegedreven inflatie afgezwakt.
Van normale leveringszekerheid is echter geen sprake. Aramco-topman Amin Nasser zei dat sinds het uitbreken van het conflict in februari meer dan 2,6 miljard vaten uit de wereldmarkt zijn verdwenen en dat voorraden zijn aangesproken.
Voor olieproducenten kunnen hoge olieprijzen de winst ondersteunen. Aramco rapporteerde dan ook een sterke winststijging tijdens de verstoring. Maar daar staan beperkingen tegenover: exportvolumes kunnen niet onbeperkt worden gehandhaafd, logistiek wordt duurder, kopers kunnen kortingen eisen en raffinaderijen kunnen hun aanvoer verder spreiden over andere leveranciers.
De conclusie is daarom dubbel. Saudi-Arabië en andere Golfproducenten hebben tijdelijke omwegen gevonden, maar geen veilige vervanging voor Hormuz en de Rode Zee. De oliestromen zijn versnipperder, de scheepvaart is door uitgeschakelde AIS-signalen minder transparant en de uiteindelijke kosten en risico’s worden voor een belangrijk deel doorgeschoven naar tankers, verzekeraars en raffinaderijen.