Ook raffinagemarges hielpen sommige geïntegreerde oliebedrijven — ondernemingen die zowel olie winnen als raffineren. NPR meldde dat hogere olieprijzen en raffinagemarges andere tegenvallers in het kwartaal ruimschoots compenseerden. ExxonMobil verdiende 14,5 miljard dollar, Chevron 12,1 miljard dollar en Shell 9,8 miljard dollar. Samen kwam dat neer op gemiddeld ongeveer 404 miljoen dollar winst per dag.
Saudi Aramco leverde de grootste bijdrage aan de winststijging van de acht bedrijven. De Saudische oliegigant rapporteerde in het tweede kwartaal 33,4 miljard dollar aan aangepaste nettowinst, 33% meer dan een jaar eerder.
In de officiële resultaten meldde Aramco daarnaast 25,4 miljard dollar operationele kasstroom en 12,3 miljard dollar vrije kasstroom. Het bedrijf zei dat de vrije kasstroom in het tweede kwartaal werd gedrukt door een opbouw van 13,6 miljard dollar aan werkkapitaal. Dat laat zien waarom winst en daadwerkelijke kasgeneratie niet hetzelfde zijn.
De resultaten van de andere bedrijven vertoonden hetzelfde algemene patroon, al verschilde de omvang van de stijging per onderneming en bedrijfsmodel. Chevron boekte zijn hoogste kwartaalwinst ooit, Shell zijn op één na hoogste kwartaalwinst en ExxonMobil zag de winst ongeveer verdubbelen ten opzichte van een jaar eerder.
De olieprijzen stegen en daalden scherp terwijl handelaren de kans op aanbodverliezen, verdere militaire escalatie en een akkoord over heropening opnieuw inschatten. Brent sloot eind juli boven 100 dollar per vat na aanvallen op aan Saudi-Arabië gelieerde olietankers en nieuwe verstoringen van de regionale handel. Op 23 juli sloot Brent op 100,69 dollar. Volgens Reuters lag de benchmark daarmee bijna 40% boven het niveau waarop de oorlog begon.
Daarna zakten de prijzen tijdelijk terug toen de verwachtingen over een staakt-het-vuren of gedeeltelijke heropening af en toe verbeterden. Op 11 augustus sloot Brent op 88,91 dollar en WTI — de Amerikaanse referentieprijs voor ruwe olie — op 83,20 dollar. Op 14 augustus sloot Brent op 88,52 dollar en WTI op 82,40 dollar, nadat de Verenigde Staten hadden gezegd dat hun zeeblokkade van Iran voor onbepaalde tijd kon voortduren en twee schepen waren aangevallen.
De scheepvaartcijfers maakten duidelijk waarom de markt nerveus bleef. Volgens Kpler-gegevens die Reuters aanhaalde, passeerden in het weekend van 15 en 16 augustus op zaterdag slechts vijf vrachtschepen de zeestraat en op zondag geen enkel geregistreerd schip. Het weekend ervoor waren dat er nog 31.
Die latere instorting van het scheepvaartverkeer veroorzaakte niet de al gerapporteerde kwartaalwinsten over april tot en met juni. Wel vergrootte ze de kans op een nieuw effect op de resultaten in de daaropvolgende kwartalen.
Hogere internationale referentieprijzen en WTI verbeteren doorgaans de omzetvooruitzichten van Canadese olieproducenten. Het voordeel hangt echter af van de oliekwaliteit, transportkosten, prijsverschillen met referentieolie en de hedgingstrategie van ieder bedrijf. In dit geval is onvoldoende informatie beschikbaar om de gezamenlijke hedgeposities van Canadese producenten betrouwbaar te kwantificeren. Het directe effect kan daarom niet precies worden berekend.
Toch kunnen Canadese consumenten met hogere brandstofkosten te maken krijgen. Raffinageproducten worden namelijk geprijsd aan de hand van wereldwijde oliebenchmarks, ook wanneer de ruwe olie uit Canada zelf komt.
In de Verenigde Staten kunnen hogere olieprijzen en extra transportkosten de groothandelsprijs van benzine verhogen en uiteindelijk ook doorwerken aan de pomp. Dat gebeurt niet onmiddellijk: raffinagecapaciteit, voorraden, regionale brandstofspecificaties, belastingen en winstmarges van tankstations spelen allemaal een rol. Beschikbare berichtgeving bevestigt dat Amerikaanse benzineprijzen tijdens het conflict sterk stegen, maar geeft geen betrouwbaar actueel landelijk gemiddelde.
De politieke kritiek draait om de verdeling van de gevolgen. Huishoudens betalen meer voor brandstof en verwarming, terwijl producenten profiteren van prijzen die door oorlog en beperkte scheepvaart kunstmatig hoog blijven. President Donald Trump verweet oliebedrijven dat ze “te veel geld” verdienden. Tegelijkertijd kwamen wetgevers opnieuw met voorstellen om een deel van de extra winsten naar consumenten te laten terugvloeien.
Senator Sheldon Whitehouse diende op 17 maart 2026 wetsvoorstel S.4111 in, de Big Oil Windfall Profits Tax Act. Het voorstel werd doorverwezen naar de financiële commissie van de Senaat. De wet zou een accijns op ruwe olie invoeren en de opbrengst terugbetalen aan individuele belastingbetalers.
De omvang van het debat wordt mede bepaald door een raming van Wood Mackenzie. Volgens het adviesbureau kan de wereldwijde upstreamsector — de sector die olie en gas opspoort en produceert — in 2026 een extra kasmeevaller van 495 miljard dollar realiseren als Brent gemiddeld rond 90 dollar per vat noteert. Dat is een scenario op basis van een olieprijsaanname, geen gegarandeerde winst. De raming kan sterk veranderen als de olieprijs een ander pad volgt.
Dat kan. Een duurzaam staakt-het-vuren en een betrouwbare heropening van de Straat van Hormuz zouden een groot deel van het schaarste-effect en de geopolitieke risicopremie uit de olieprijs halen. Als de achtergehouden olieproductie uit de Golfregio terugkeert terwijl de productie buiten de OPEC-landen blijft groeien, kan de markt in 2027 richting overaanbod bewegen. Dat zou de prijzen en de winsten van producenten onder druk zetten.
Dit is een plausibel scenario, geen vaststaande voorspelling. De belangrijkste les uit de sterke resultaten van 2026 is dat de winsten van oliebedrijven niet simpelweg stegen omdat er oorlog was. Doorslaggevend was de combinatie van verloren aanbod, risico’s voor de scheepvaart, hogere referentieprijzen en de verwachting van de markt over hoelang de verstoring zou aanhouden.