Hubble fotografeerde NGC 2392 al in 2000 in zichtbaar licht. Die opname liet de leeuwachtige vorm zien, inclusief een wazige ‘manenkrans’ met komeetvormige structuren. Webb kijkt echter in het nabije en middel-infrarood en kan daardoor andere onderdelen van de nevel zichtbaar maken.
De combinatie van Webb’s NIRCam — de Near-Infrared Camera — en MIRI — het Mid-Infrared Instrument — brengt de schillen, holtes, gasbogen en stofverdeling veel scherper in beeld. Vooral MIRI laat zien waar warm stof zit en hoe ongelijk dat stof over de nevel is verdeeld.
De infraroodbeelden maken ook duidelijk dat dichte stofklonten niet alleen passief aanwezig zijn. Ze kunnen materiaal achter zich afschermen tegen de harde straling van de witte dwerg. Tegelijkertijd blijven de straling en uitstromen van de ster het gas en stof verplaatsen en hervormen. De leeuwennevel is dus geen stilstaand overblijfsel, maar een omgeving die nog steeds in beweging is.
De karakteristieke leeuwenvorm zal niet eeuwig blijven bestaan. Het geïoniseerde gas dijt uit en wordt steeds ijler. Naar verwachting zal de herkenbare structuur daardoor over ongeveer nog eens 10.000 jaar grotendeels vervagen en zich verspreiden.
Webb is een internationale missie onder leiding van NASA, met de Europese ruimtevaartorganisatie ESA en de Canadian Space Agency als partners. De drie ruimtevaartorganisaties droegen bij aan de telescoop en de wetenschappelijke mogelijkheden ervan. De beeldcredits vermelden NASA, ESA, CSA en het Space Telescope Science Institute.