BESIII zag daarnaast meerdere eigenschappen die samen passen bij een gluonische pseudoskalaire toestand:
Geen van deze kenmerken bewijst op zichzelf dat X(2370) een glueball is. Samen vormen ze wel een patroon dat moeilijker te verklaren is als X(2370) slechts een conventioneel quark-antiquarkmeson zou zijn.
De meest onderscheidende nieuwe aanwijzing kwam uit een verval dat juist níét werd gezien: X(2370) → K*(892)⁰K̄⁰ + c.c. BESIII zocht hiernaar via het proces J/ψ → γK⁰_S K⁰_S π⁰. De samenwerking vond geen bewijs voor dit verval en stelde een bovengrens vast van 2,7 × 10⁻⁶ voor de relevante product-vertakte fractie, bij een betrouwbaarheidsniveau van 90 procent.
Die onderdrukking wijst erop dat X(2370) een flavoursinglet is — een toestand zonder voorkeur voor een specifieke lichte quarkensmaak. Volgens de analyse is het de eerste lichte flavoursinglet-hadron dat boven 1 GeV/c² is waargenomen.
Dat is belangrijk omdat gluonen wel kleur lading dragen, maar geen quarkensmaak. Een glueball hoort daarom een flavoursinglet te zijn en zich niet te gedragen als een gewoon meson van bijvoorbeeld uū + dd̄ of ss̄. Het uitblijven van het K* K̄-kanaal levert in dat opzicht een scherpere test dan een vergelijking van onzekere verhoudingen tussen vervalfracties.
In de kwantumchromodynamica (QCD), de theorie van de sterke wisselwerking, kunnen gluonen met elkaar wisselwerken. Dat onderscheidt ze van fotonen in de gewone elektromagnetische theorie: fotonen dragen geen elektrische lading en wisselwerken daardoor niet op dezelfde manier rechtstreeks met elkaar.
Glueballs zijn een directe voorspelling van die zelfinteractie van gluonen. Een bevestiging zou niet alleen een nieuwe klasse hadronen opleveren, maar ook laten zien hoe een fundamentele kracht op lage energie materie kan vormen zonder dat quarks de belangrijkste bouwstenen zijn.
De presentatie in Natal vormde het voorlopige hoogtepunt van ongeveer vijftien jaar BESIII-onderzoek naar X(2370), binnen een internationale zoektocht naar glueballs die al bijna vijftig jaar duurt. Aan die zoektocht werkten meerdere generaties onderzoekers aan onder meer theoretische QCD-berekeningen, versnellertechnologie, detectorbouw, dataverzameling en analyse.
BESIII formuleert de conclusie bewust voorzichtig. De samenwerking stelt dat de dominante component van X(2370) het lichtste 0⁻⁺-glueballkanaal is. Dat betekent niet noodzakelijk dat de toestand een perfect ongemengde verzameling gluonen is. Een kleine component van bijvoorbeeld c c̄ wordt in de analyse niet uitgesloten.
De wetenschappelijke beoordeling berust daarom op de samenhang tussen de massa, de 0⁻⁺-kwantumgetallen, de gluonrijke productieomgeving, de verschillende vervallen en het flavoursingletgedrag. Samen maken die eigenschappen X(2370) tot de duidelijkste kandidaat tot nu toe voor een door een glueball gedomineerd deeltje — maar niet tot absoluut bewijs dat er letterlijk geen quarks in zitten.