De smokkeloperatie was gebaseerd op drie kernstrategieën: een speciaal opgerichte hub in Wenen, een netwerk van schijnbedrijven in meerdere landen en systematische documentenfraude.
Het netwerk werd aangestuurd vanuit een bedrijf dat in Wenen stond geregistreerd. De directeur is een 28-jarige Wit-Russische man . Hij werd in mei 2026 gearresteerd door de Oostenrijkse autoriteiten en verscheen op 12 augustus 2026 voor een rechter in Wenen. Hij wordt verdacht van overtreding van de EU-Sanctiewet en de Buitenlandse Handels- en Betalingswet .
Het netwerk opereerde via schijnbedrijven in ten minste acht landen, waaronder Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten, Spanje, Hongkong, Wit-Rusland, Kirgizië, Zuid-Korea, Polen en Litouwen . De goederen werden via tussenbedrijven in Spanje en Hongkong geleid voordat ze Rusland bereikten .
Het Weense bedrijf vervalste de zogenaamde 'end-user certificates' (eindgebruikersverklaringen). Hierin verklaarden ze dat de apparatuur bestemd was voor civiele klanten in niet-gesanctioneerde landen. In werkelijkheid werd de apparatuur doorgestuurd naar Russische defensiebedrijven die gelieerd zijn aan het staatsconcern Rostec . Europese fabrikanten werd wijsgemaakt dat de goederen in de transitlanden zouden blijven .
De geleverde apparatuur werd gebruikt om motoren te maken voor kruisraketten (Marschflugkörper) en gevechtsvliegtuigen, evenals andere militaire hardware, voor aan Rostec gelieerde Russische wapenfabrikanten .
Deze zaak illustreert een patroon dat een grote uitdaging vormt voor Europese handhavingsinstanties: