Het volledige TRAIL-eiwit vormt normaal gesproken een trimeer — een complex van drie eiwitten — en bindt aan de doodsreceptoren DR4 en DR5. Dat zet in de doelcel geprogrammeerde celdood, oftewel apoptose, in gang. TRAILshort mist cysteïne 230 en kan daardoor geen functioneel trimeer vormen. Het bindt wel aan dezelfde receptoren, maar geeft geen dodelijk signaal door. Zo werkt het als een dominante negatieve antagonist: het bezet de receptor en houdt de normale TRAIL-werking tegen .
Natural killer-cellen (NK-cellen) en CD8+-T-cellen kunnen TRAIL tot expressie brengen. Wanneer dit eiwit aan DR4 of DR5 op een tumorcel of geïnfecteerde cel bindt, kan het apoptose veroorzaken.
TRAILshort concurreert met het volledige TRAIL-eiwit om diezelfde receptoren. Omdat TRAILshort niet goed kan trimeriseren, wordt de apoptotische boodschap echter niet doorgegeven. De doelcel krijgt daarmee als het ware een bezette, maar uitgeschakelde toegangspoort tot celdood.
Onderzoek suggereert dat tot ongeveer 40% van de primaire menselijke tumoren TRAILshort tot expressie brengt . Dat maakt deze vorm van immuunontwijking potentieel relevant voor een groot deel van de kankerpatiënten.
Een studie die in 2026 verscheen in het Journal of Clinical Investigation beschreef een tweede functie van TRAILshort. De eiwitvariant kan volgens preklinische modellen de signalering via de T-celreceptor (TCR) rechtstreeks verstoren .
De onderzoekers koppelden dit effect aan SHP-1, een fosfatase die in T-cellen als een soort moleculaire rem kan werken. Wanneer die rem wordt geactiveerd, worden T-cellen minder goed geactiveerd en herkennen en vernietigen ze kankercellen of geïnfecteerde cellen minder effectief.
Het resultaat is een dubbele bescherming voor de tumorcel: TRAILshort blokkeert het dodelijke signaal op de doelcel én verzwakt tegelijk de afweercel die de aanval moet uitvoeren.
De geschiedenis van TRAILshort begon bij hiv. Chronisch geïnfecteerde cellen bleken bestand tegen apoptose die door TRAIL uit naburige immuuncellen werd opgewekt. Dat leidde tot de ontdekking van deze dominante negatieve splicevariant .
Later bleek dat ook tumorcellen TRAILshort kunnen produceren. Het eiwit is aangetroffen op het celoppervlak en in extracellulaire blaasjes — kleine membraanpakketjes die cellen uitscheiden en waarmee biologische signalen kunnen worden vervoerd . Die aanwezigheid in extracellulaire blaasjes maakt het denkbaar dat TRAILshort in de toekomst ook in bloedmonsters wordt opgespoord, bijvoorbeeld als onderdeel van een zogenoemde vloeibare biopsie.
Onderzoekers hebben een monoklonaal antilichaam ontwikkeld dat TRAILshort selectief herkent. In preklinische modellen maakte het blokkeren van TRAILshort kankercellen gevoeliger voor TRAIL-afhankelijke doding. Ook nam de werkzaamheid van lichaamseigen CD8+-T-cellen toe in ex vivo-modellen met primaire tumoren .
Een dergelijke behandeling zou een ander aangrijpingspunt hebben dan de bekende PD-1/PD-L1-remmers. Daardoor kan een anti-TRAILshort-behandeling mogelijk worden gecombineerd met bestaande immuuntherapieën . Er is vooralsnog geen behandeling tegen TRAILshort getest in menselijke klinische trials; de resultaten komen uit laboratoriumonderzoek en diermodellen.
Bij CAR-T-celtherapie worden T-cellen genetisch aangepast om tumorcellen beter te herkennen en aan te vallen. TRAILshort op de tumorcel zou de werking van deze cellen echter kunnen beperken: het kan zowel de doodsreceptoren blokkeren als signalen in T-cellen onderdrukken.
Het vooraf testen van een tumor op TRAILshort zou daarom kunnen helpen om patiënten te identificeren bij wie het risico op terugkeer van de ziekte na CAR-T-therapie mogelijk groter is . Een andere strategie is om CAR-T-cellen zo te ontwerpen dat ze minder gevoelig zijn voor TRAILshort, of om CAR-T te combineren met een antilichaam tegen de eiwitvariant.
In eerder onderzoek werd een hoge TRAILshort-expressie gevonden bij bepaalde B-celmaligniteiten, waaronder B-cel-acute lymfatische leukemie en mantelcellymfoom .
Omdat TRAILshort bij ongeveer 40% van de primaire menselijke tumoren is aangetroffen, geldt het als een kandidaat voor een voorspellende of prognostische biomarker . Een test op TRAILshort in tumorweefsel of mogelijk in extracellulaire blaasjes uit bloed kan in de toekomst informatie geven over de kans dat een tumor reageert op behandelingen die afhankelijk zijn van cytotoxische immuuncellen .
Dat idee moet nog klinisch worden gevalideerd. Op dit moment is nog niet vastgesteld hoe betrouwbaar TRAILshort als individuele voorspeller voor het effect van checkpointremmers of CAR-T-therapie is.
De rem op TCR-signalering is niet uitsluitend interessant bij kanker. Als TRAILshort T-cellen kan afremmen en immuuntolerantie kan bevorderen, zou het mechanisme mogelijk ook kunnen worden benut om overactieve, lichaamseigen T-cellen te temperen . Dat kan relevant zijn voor aandoeningen zoals systemische lupus erythematodes en reumatoïde artritis.
Dit is voorlopig vooral een therapeutische hypothese. De ontwikkeling van CAR-T-therapie voor auto-immuunziekten laat wel zien dat onderzoekers steeds vaker proberen het immuunsysteem gericht te resetten. Bij lupus is in vroege studies remissie gezien na behandeling met CD19-gerichte CAR-T-cellen, die autoreactieve B-cellen uitschakelen . Een strategie die zich op T-cellen richt, zou daar in theorie op kunnen aansluiten — maar TRAILshort-gebaseerde behandelingen zijn nog niet klinisch getest.
TRAILshort lijkt een immuuncheckpoint te zijn dat op twee fronten werkt: het beschermt de doelcel tegen TRAIL-afhankelijke celdood en maakt T-cellen minder actief. De relatief brede aanwezigheid ervan in tumoren maakt de eiwitvariant interessant als therapeutisch doelwit en als biomarker.
De eerste resultaten zijn veelbelovend, maar de stap naar patiënten moet nog worden gezet. Vooral de mogelijke combinatie met immunotherapie en CAR-T-cellen, en het idee om dezelfde remmende werking gecontroleerd in te zetten bij auto-immuunziekten, zullen de komende jaren verder moeten worden onderzocht.