De belangrijkste aanwijzing is de verandering tussen 2017 en 2023:
Verschillende instellingen zien dezelfde ontwikkeling. Het McKinsey Global Institute stelt dat China meer productie-inputs en kapitaalgoederen is gaan verschepen, terwijl de export van eindproducten afnam . Een analyse van de Amerikaanse Federal Reserve laat zien dat de expansie van de Chinese export zich steeds sterker concentreert op stroomopwaartse en technologisch geavanceerde sectoren .
Ook het Internationaal Monetair Fonds (IMF) wijst op de centrale rol van China in regionale productieketens: meer dan 60% van de Chinese export naar de regio Azië-Pacific bestaat uit intermediaire goederen . China is daar dus niet alleen een concurrent voor lokale producenten van eindproducten, maar ook een belangrijke leverancier aan fabrieken in de regio.
Ontwikkelingslanden kunnen Chinese onderdelen importeren, die vervolgens lokaal worden geassembleerd of verder verwerkt. Daarbij worden arbeid, lokale diensten en andere binnenlandse productiefactoren toegevoegd. Sommige producten kunnen daarna opnieuw worden geëxporteerd.
Een studie van de Wereldbank vond dat een toename van de blootstelling aan uit China geïmporteerde intermediaire goederen gepaard ging met een 19,7% hogere werkgelegenheid in de industrie in importerende landen. Voor importen van eindproducten werd geen aantoonbaar effect op de werkgelegenheid gevonden .
Ethiopië vormt in die analyse een concreet voorbeeld: 78,5% van de Chinese import bestaat daar uit intermediaire goederen. Een toename van één eenheid in de blootstelling aan zulke importen ging er samen met een 9% stijging van de industriële werkgelegenheid .
Industrialiseringsplannen lopen vaak niet alleen vast op arbeidskosten, maar ook op de prijs van machines, productielijnen en andere kapitaalgoederen. De sterke groei van de Chinese export van kapitaalgoederen kan de instapkosten voor fabrieken in ontwikkelingslanden verlagen .
De Amerikaanse International Trade Commission (USITC) signaleerde al dat intermediaire goederen in 2017 met 43,3% het grootste aandeel van de Chinese goederenexport vormden. China is inmiddels een van de grootste wereldwijde leveranciers van complexe intermediaire producten .
Voor landen die hun eigen assemblage- of maakindustrie willen opbouwen, kan toegang tot die goederen het verschil maken tussen zelf produceren en uitsluitend afgewerkte producten importeren.
China is steeds dieper geïntegreerd geraakt in regionale productienetwerken. Volgens de USITC levert het land in toenemende mate complexe intermediaire producten aan zulke netwerken . De Wereldbank stelt dat China relatief veel intermediaire goederen exporteert naar nabijgelegen economieën met lagere lonen. Daardoor kunnen die landen een plek veroveren in wereldwijde waardeketens .
Het IMF ziet daarnaast een sterke toename van de handel in intermediaire goederen binnen Azië-Pacific rond 2017. Die groei werd mede aangedreven door de grotere blootstelling van regionale economieën aan China . In de praktijk betekent dit dat productie niet volledig in China hoeft plaats te vinden: onderdelen kunnen uit China komen, terwijl assemblage, verwerking of andere productiestappen elders gebeuren.
De these dat China de industrie van het mondiale Zuiden ‘voedt’ is dus onderbouwd, maar onvolledig. China kan fabrieken in andere landen voorzien van betaalbare inputs, terwijl het tegelijkertijd producenten in diezelfde landen verdringt.
De US-China Economic and Security Review Commission wijst erop dat China meer onderdelen zelf is gaan produceren. Daardoor zijn de importmogelijkheden voor industrieën in opkomende economieën als Maleisië en Thailand afgenomen . Tussen 2019 en 2024 nam het totale Chinese handelsoverschot in de industrie bovendien met 870 miljard dollar toe .
De denktank Rhodium Group waarschuwt eveneens dat Chinese inputexport op korte termijn voordelen kan opleveren, maar tegelijk de marktmacht en afhankelijkheid van China vergroot. Dat creëert nieuwe kwetsbaarheden voor ontwikkelingslanden .
De verschuiving van 42% naar 46% voor intermediaire goederen en van 36% naar 33% voor consumentengoederen is reëel en wordt door meerdere bronnen ondersteund, waaronder het IMF, de Wereldbank, McKinsey, de USITC en de Federal Reserve .
De cijfers ondersteunen daarmee een alternatieve kijk op China’s exportmachine: China levert steeds vaker de onderdelen en machines waarmee andere landen hun eigen productie kunnen uitbreiden, in plaats van uitsluitend goedkope eindproducten naar die markten te sturen.
Maar dat maakt de ontwikkeling niet automatisch positief voor elk land. De voordelen zijn het duidelijkst in Azië-Pacific en in economieën die al goed zijn aangesloten op door China georganiseerde productieketens. Producenten van onderdelen in andere ontwikkelingslanden kunnen juist marktaandeel verliezen doordat China ook stroomopwaarts steeds sterker wordt. De juiste conclusie is daarom niet dat China ontwikkelingslanden simpelweg helpt of schaadt, maar dat het beide tegelijk kan doen.