Een golf van exportorders – met name in elektronica en AI-hardware – had de Chinese industrie in het tweede kwartaal een flinke impuls gegeven . Die hausse bleek deels een tijdelijk effect van ‘front-loading’: bedrijven versnelden leveringen uit voorzorg. In juli begon die exporteuforie af te nemen en dat gat kon de binnenlandse vraag niet opvullen . De subindex voor nieuwe exportorders zakte terug in krimpgebied (49,0 tegen 50,1 in juni) .
De zwakte komt hard aan omdat de Chinese consument – mede door de jarenlange vastgoedcrisis – nog altijd de hand op de knip houdt . NBS-statisticus Huo Lihui wijt de daling dan ook aan ‘zwakke vraag’ . Capital Economics ziet de zwakte vooral in de vraag naar binnenlandse goederen, waaronder bouwmaterialen . De subindex voor nieuwe orders (49,9 tegen 51,2) en die voor de productie (49,9 tegen 51,4) kwamen beide in krimpgebied terecht . Reden tot extra zorg is dat ook de niet-industriële PMI, die diensten en bouw omvat, terugzakte naar 49,0. Het momentum is dus breed weg .
De aanhoudende oorlog in het Midden-Oosten drijft de kosten voor fabrieken op, terwijl de orderportefeuilles juist slinken, waardoor de marges onder druk komen .
Op 30 juli – een dag voor de publicatie van de PMI – kwam het Chinese Politbureau bijeen. Het erkende de vertraging, maar bleef ver verwijderd van een groot stimuleringspakket .
De PMI-krimp onderstreept een structureel dilemma: export – de belangrijkste groeimotor in het tweede kwartaal – koelt af, terwijl de binnenlandse consumptie veel te zwak blijft om het stokje over te nemen . De terughoudendheid van het Politbureau toont dat Peking niet bereid is om de economie met een grote stimuleringsinjectie een impuls te geven en liever een tragere groei accepteert dan een hogere schuldenlast . De Wereldbank voorspelt dat de Chinese economie in 2026 zal groeien met 4,4%, een afkoeling die samenhangt met de aanhoudend zwakke binnenlandse vraag. De PMI van juli markeert daarmee een tastbare omslag van stabilisatie naar verslechtering .