De belangrijkste conclusie is dat fibromyalgie in de eerste plaats samenhangt met het centrale zenuwstelsel. De erfelijke component van de aandoening was in de analyse uitsluitend sterker aanwezig in hersenweefsel en bepaalde zenuwcellen .
Dat wijst erop dat de biologische basis vooral in de hersenen en het ruggenmerg ligt, en niet uitsluitend in spieren of gewrichten. De bevindingen ondersteunen daarmee het beeld van fibromyalgie als een neurologisch syndroom met een aantoonbare lichamelijke basis, in plaats van een vaag of onverklaard klachtenpatroon .
Met een grootschalige genoomwijde associatiestudie, een zogenoemde GWAS, vergeleken de onderzoekers genetische gegevens van mensen met en zonder fibromyalgie. Daarbij identificeerden zij 26 onafhankelijke risicoloci: specifieke gebieden in het DNA die statistisch samenhangen met een grotere kans op fibromyalgie .
De sterkste associatie werd gevonden bij een coderende variant in het HTT-gen . Dat gen is vooral bekend omdat mutaties erin de ziekte van Huntington kunnen veroorzaken. Fibromyalgie en Huntington zijn verschillende aandoeningen, maar de overeenkomst kan wijzen op gedeelde processen in de werking van hersenen en zenuwstelsel.
De ontdekking is ook interessant voor de ontwikkeling van medicijnen. Er worden al geneesmiddelen onderzocht die zich op het HTT-gen richten bij de ziekte van Huntington. In de toekomst kan worden bekeken of sommige van die behandelingen, of vergelijkbare aangrijpingspunten, ook relevant zijn voor fibromyalgie . Dat betekent niet dat deze middelen al bewezen werken tegen fibromyalgie.
Naast HTT brachten de onderzoekers onder meer GPR52, een regulator van HTT, en de genen CAMKV, DCC, DRD2/NCAM1, MDGA2 en CELF4 in verband met het risico. Veel van deze genen hebben functies in de hersenen of het zenuwstelsel . Sommige zijn bovendien gekoppeld aan lichamelijke en psychiatrische kenmerken die relatief vaak naast fibromyalgie voorkomen .
Ongeveer 75% van de fibromyalgiegevallen betreft vrouwen . Toch vonden de onderzoekers geen grote verschillen in de genetische architectuur van fibromyalgie tussen de seksen .
In grote lijnen lijken dus dezelfde genetische factoren het risico bij mannen en vrouwen te beïnvloeden . Het verschil in prevalentie wordt waarschijnlijk mede bepaald door andere biologische of omgevingsfactoren, zoals:
Onderzoek naar chronische pijn op meerdere plaatsen in het lichaam heeft wel duizenden seksspecifieke genetische varianten gevonden . Die lijken in deze specifieke studie naar fibromyalgie echter geen doorslaggevende verklaring te bieden voor het verschil tussen mannen en vrouwen.
Fibromyalgie komt vaak samen voor met andere pijnklachten, lichamelijke aandoeningen en psychische problemen. De nieuwe studie laat zien dat daar mogelijk gedeelde genetische mechanismen aan ten grondslag liggen. De onderzoekers vonden sterke positieve genetische verbanden met onder meer:
Bij lage rugpijn, PTSS en PDS waren sommige genetische correlaties hoger dan 0,7 . Zo'n correlatie betekent niet dat de ene aandoening de andere veroorzaakt. Wel suggereert het dat bepaalde erfelijke kwetsbaarheden in het zenuwstelsel de kans op meerdere aandoeningen kunnen verhogen. Dat kan helpen verklaren waarom deze klachten bij sommige mensen en binnen sommige families samen voorkomen .
De onderzoekers benadrukken dat DNA alleen niet bepaalt of iemand fibromyalgie krijgt . De bevindingen passen beter bij een samenspel tussen genen en omgeving. Genetische varianten kunnen de kwetsbaarheid verhogen, maar er zijn vaak ook andere factoren nodig voordat de aandoening zich ontwikkelt .
Mogelijke uitlokkende factoren zijn onder meer:
Dit model kan verklaren waarom niet iedereen met een genetische aanleg fibromyalgie ontwikkelt en waarom de klachten soms na een duidelijk lichamelijk of emotioneel belastende gebeurtenis beginnen. Het kan op termijn ook helpen bij onderzoek naar preventie voor mensen met een verhoogde kwetsbaarheid.
De studie verandert het wetenschappelijke kader rond fibromyalgie. De 26 risicoloci, de sterke associatie met HTT en de aanwijzingen voor een oorsprong in het zenuwstelsel kunnen bijdragen aan:
De resultaten vormen geen kant-en-klare test of genezing. Wel bieden ze een stevigere biologische basis voor verder onderzoek. Voor de naar schatting 2% van de bevolking die met fibromyalgie leeft, is dat een belangrijke stap richting meer erkenning en mogelijk gerichtere zorg .