Dami Oguntunde, medeoprichter en topman van Hardé Business School, zei tijdens de BRINT EdTech Summit 2.0 in Lagos dat Afrikaanse edtechbedrijven eerder behoefte hebben aan geduldig kapitaal en impactgerichte financiering dan aan het snelle groeimodel dat vaak bij fintech wordt toegepast. Onderwijsbedrijven moeten volgens hem niet worden gedwongen om op fintechsnelheid te groeien: opbrengsten komen doorgaans later, terwijl de maatschappelijke inzet groter is .
Dat probleem gaat verder dan de financiering van één startup. Veel kapitaal voor Afrikaanse technologie komt nog altijd uit westerse fondsen, met rendementseisen, looptijden en risicoprofielen die niet altijd aansluiten op de realiteit van Afrikaanse markten . Het Afrikaanse edtechlandschap wordt geschat op 600 miljoen tot 1 miljard dollar, maar krijgt slechts een klein deel van het durfkapitaal dat in Afrikaanse technologie wordt geïnvesteerd .
Bij onderwijs moet een bedrijf vaak eerst producten verfijnen, leerresultaten aantonen en duurzame inkomsten opbouwen. Dat proces laat zich moeilijk combineren met investeerders die binnen korte tijd explosieve groei verwachten.
De tweede boodschap is dat de toekomst van AI en edtech in Afrika niet door oprichters alleen kan worden gebouwd. Zelfs een sterk bedrijf kan niet zelfstandig problemen oplossen zoals onbetrouwbare elektriciteit, gebrekkige internetverbindingen, versnipperde data, onduidelijke regelgeving, trage overheidsinkoop, beperkte toegang tot rekenkracht en geringe beschikbaarheid van risicokapitaal .
Daarom zijn partnerschappen met overheden, onderwijsinstellingen, multilaterale organisaties zoals UNICEF, UNDP en de Wereldbank, en regionale ondersteuners nodig. Zulke partijen kunnen helpen met infrastructuur, regelgeving, toegang tot scholen en uitrol over meerdere regio’s .
De Wereldbank benadrukt daarbij dat AI voor onderwijs moet aansluiten op lokale talen, culturele context, curricula en pedagogische methoden. Ook praktische beperkingen, zoals beperkte bandbreedte en de noodzaak van offlinefunctionaliteit, moeten in het ontwerp worden meegenomen .
Veel wereldwijde digitale hulpmiddelen zijn niet goed afgestemd op Afrikaanse talen en onderwijscontexten. Technologie-experts pleiten daarom voor AI die wordt getraind met lokale gegevens en taalbronnen, en die rekening houdt met de manier waarop leerlingen en leraren in verschillende landen werken .
Dat betekent niet alleen vertalen. Een bruikbaar systeem moet ook passen bij lokale curricula, culturele referenties, beschikbare apparaten en de manier waarop lessen worden gegeven. Kleinere taalmodellen, mobiele toepassingen, sms-diensten en offline leercontent kunnen in sommige situaties geschikter zijn dan zware cloudplatforms .
Stroomuitval en gebrekkige connectiviteit blijven belangrijke obstakels, vooral buiten stedelijke gebieden. In de Africa EdTech 2030 Vision worden infrastructuurtekorten en onbetrouwbare elektriciteit genoemd als fundamentele belemmeringen voor eerlijke toegang tot edtech .
Ook UNESCO waarschuwt dat onderwijsinitiatieven niet systematisch en op grote schaal kunnen worden uitgevoerd zonder betrouwbaar en betaalbaar internet. De digitale kloof is bovendien niet alleen geografisch, maar ook economisch en gendergerelateerd .
In veel digitale businessmodellen daalt de kostprijs per gebruiker naarmate het aantal gebruikers stijgt. Bij Afrikaanse edtech kan het omgekeerde gebeuren. Lokalisatie, docententraining, distributie en dataverbindingen kunnen de kosten juist verhogen.
Een voorbeeld uit Nigeria laat zien hoe een onderwijsprogramma data in kleine hoeveelheden moest inkopen, omdat grotere bundels financieel niet haalbaar waren. Daardoor ontstond een zogenoemde diseconomie of scale: groei maakte de dienstverlening niet automatisch goedkoper en de uitbreiding bleef afhankelijk van extra donaties . Onderzoek naar onderwijsprogramma’s wijst er eveneens op dat logistiek, training en aanpassing aan lokale omstandigheden de kosten bij opschaling kunnen doen oplopen .
Een product dat in het ene land werkt, kan niet zonder aanpassingen in een ander land worden uitgerold. Verschillende landen hebben hun eigen curricula, talen, regelgeving, betaalsystemen en niveaus van digitale infrastructuur.
Die versnippering maakt grensoverschrijdende groei duur en traag. Volgens BCG vormen zowel taalverschillen als uiteenlopende regels grote hindernissen voor schaalvergroting; regionale partnerschappen, bredere investeringen en flexibeler beleid zijn daarom belangrijk .
| Silicon Valley-model | Benadering die beter past bij Afrikaanse edtech |
|---|---|
| Korte investeringshorizon | Geduldig kapitaal met een langere looptijd |
| Zo snel mogelijk gebruikersgroei | Duurzame groei met aandacht voor onderwijskwaliteit |
| Cloudafhankelijk en datarijk | Mobiel, offline en geschikt voor lage bandbreedte |
| Eén product voor één grote markt | Aanpassing aan lokale curricula, talen en regels |
| Lagere kosten per gebruiker bij schaal | Mogelijk stijgende kosten door logistiek en lokalisatie |
| Oprichter en investeerder als drijvende krachten | Samenwerking met overheden, onderwijs en multilaterale instellingen |
| Generieke AI-modellen | AI met lokale data en Afrikaanse taalondersteuning |
De boodschap van Afrikaanse edtechleiders is niet dat snelle innovatie onmogelijk is. Wel stellen zij dat schaal niet uitsluitend moet worden gemeten in gebruikersaantallen of omzet. Ook leerresultaten, betaalbaarheid, lokale bruikbaarheid en de mogelijkheid om een dienst duurzaam te onderhouden tellen mee.
Wie onderwijs-tech in Afrika wil laten groeien, moet volgens deze visie dus verder kijken dan het Silicon Valley-playbook. Geduldig geld geeft bedrijven tijd om bewijs op te bouwen. Institutionele partners helpen om infrastructuur en publieke systemen mee te krijgen. En lokaal ontworpen AI vergroot de kans dat technologie daadwerkelijk aansluit bij de leerlingen en leraren voor wie ze bedoeld is.