De Europese Commissie reageerde opvallend terughoudend. Brussel keurde de Amerikaanse onderbouwing niet goed, maar stelde wel vast dat het tarief voor EU-goederen binnen de afspraken van het handelsakkoord van Turnberry bleef.
De Commissie zei dat de uitkomst "in lijn was met" de handelsafspraken die de EU en de VS een jaar eerder in Turnberry hadden gemaakt . Dat was geen enthousiast welkom voor nieuwe importheffingen, maar een tactische formulering.
Het tarief van 10 procent bleef namelijk onder het plafond van 15 procent dat de Verenigde Staten in het Turnberry-raamwerk voor de meeste EU-export hadden vastgelegd . Daardoor kon Brussel de maatregel beschouwen als verenigbaar met het akkoord, zonder de Amerikaanse beschuldiging over dwangarbeid of de bredere uitbreiding van tarieven te onderschrijven.
De kern van de Europese boodschap was daarmee: een tarief onder het afgesproken plafond is iets anders dan instemmen met de reden die Washington ervoor aanvoert.
De reacties van Europese functionarissen en andere handelspartners waren overwegend kritisch. Zij betwistten vooral de stelling dat de getroffen landen onvoldoende zouden optreden tegen goederen uit dwangarbeid.
De EU had bovendien zelf de Verordening inzake dwangarbeid ingevoerd. Die verbiedt producten die met dwangarbeid zijn gemaakt op de Europese markt; de regels gelden voor zowel ingevoerde als in de EU geproduceerde goederen en treden op 14 december 2027 in werking .
Het politieke akkoord werd op 27 juli 2025 gesloten in Turnberry, Schotland, door Commissievoorzitter Ursula von der Leyen en president Donald Trump. Het bepaalde een Amerikaans tariefplafond van 15 procent voor de meeste EU-exporten. In ruil daarvoor zegde de EU toe haar tarieven op Amerikaanse industriële goederen af te schaffen en toegang voor bepaalde Amerikaanse landbouw- en visserijproducten te verruimen .
De afspraken werden nader uitgewerkt in een gezamenlijke verklaring van 21 augustus 2025 . Belangrijk is dat de 15 procent een plafond was, geen ondergrens en ook geen garantie dat alle Europese goederen vrij van heffingen zouden blijven. Een nieuw tarief van 10 procent kon dus technisch binnen het akkoord passen, zolang het niet boven de afgesproken limiet uitkwam.
Vanaf 1 juli 2026 trad de Europese uitvoering van het akkoord in werking. Daarmee schafte de EU invoerrechten op Amerikaanse industriële goederen af en verbeterde zij de markttoegang voor bepaalde landbouwproducten .
De uitvoering kwam er na maanden van politieke spanning. Trump had de EU een ultimatum gesteld: vóór 4 juli, de 250e verjaardag van de Verenigde Staten, moest het akkoord zijn geratificeerd. Anders dreigde hij met "veel hogere" tarieven .
Het Europees Parlement stelde in maart 2026 zijn onderhandelingspositie vast . Op 20 mei bereikten het Parlement en de Raad van de EU een voorlopig akkoord over de wetgeving die de Europese toezeggingen moest uitvoeren . Op 16 juni stemde het Parlement met 440 tegen 151, bij 50 onthoudingen, voor ratificatie .
De Europese uitvoeringsmaatregelen gingen vervolgens op 1 juli in . De felle discussie over het akkoord maakte de Commissie politiek kwetsbaar. Dat hielp verklaren waarom Brussel na de Amerikaanse tariefaankondiging niet opnieuw onmiddellijk de confrontatie zocht: het belangrijkste doel was voorkomen dat de handelsruzie opnieuw escaleerde.
Ook de juridische basis van het Amerikaanse tarievenbeleid was veranderd. Op 20 februari 2026 oordeelde het Amerikaanse Hooggerechtshof in Learning Resources Inc. v. Trump met 6 tegen 3 dat de president de International Emergency Economic Powers Act (IEEPA) niet mocht gebruiken om vergaande algemene tarieven op te leggen .
Daarmee viel de wettelijke grondslag weg onder het eerdere tijdelijke wereldwijde tarief van 10 procent . De regering moest op zoek naar een andere bevoegdheid. Die vond zij in Section 301 van de Trade Act van 1974.
Dat instrument werkt anders dan IEEPA. Section 301 vereist onderzoek en bevindingen over oneerlijke handelspraktijken van handelspartners. Het is daardoor trager en beperkter, maar de maatregelen zijn juridisch meer ingebed en minder eenvoudig door een volgende president terug te draaien .
Op 2 juni 2026 publiceerde de Amerikaanse handelsgezant, de USTR, bevindingen uit 60 Section 301-onderzoeken. Daarin stelde Washington dat de betrokken landen onvoldoende deden om goederen uit dwangarbeid uit hun markten te weren . De tarieven van 24 juli waren het directe resultaat: zij vervingen de verlopen, op IEEPA gebaseerde heffingen en gebruikten de bevindingen over dwangarbeid als juridische aanleiding onder Section 301 .
De EU zat daarmee in een ongemakkelijke tussenpositie. Brussel verzette zich inhoudelijk tegen de Amerikaanse rechtvaardiging, maar zag tegelijkertijd dat het tarief van 10 procent formeel onder het Turnberry-plafond bleef. De Commissie kon de nieuwe heffing daarom voorzichtig als verenigbaar met het akkoord beschrijven, terwijl EU-leiders en handelspartners de onderliggende beschuldigingen bleven afwijzen.
De rust was bovendien niet definitief. Andere Amerikaanse onderzoeken, onder meer naar industriële overcapaciteit in Europa en de prijsstelling van geneesmiddelen, konden volgens Europese functionarissen later tot extra heffingen leiden. Daardoor bleef de vraag bestaan of toekomstige maatregelen samen alsnog boven het plafond van 15 procent zouden uitkomen .