De versnelling is duidelijk zichtbaar in de maandelijkse ontwikkeling: de inflatie liep op van 2,5% in maart naar 3,0% in april en vervolgens naar 3,2% in mei. In april leverden diensten een bijdrage van 1,38 procentpunt aan de inflatie, terwijl energie 0,99 procentpunt bijdroeg.
Dat mechanisme werkt op verschillende manieren door. Energie maakt transport, productie en verwarming duurder. Bedrijven kunnen die kosten deels doorberekenen aan klanten, waardoor de prijsdruk zich buiten de energiesector kan verspreiden. Tegelijkertijd tast een hogere energierekening de koopkracht van huishoudens aan.
De beschikbare PMI-bronnen schetsen zonder twijfel een zwakker beeld van de private sector, maar bevatten verschillende metingen. Een S&P Global-publicatie meldde voor mei een samengestelde productie-index van 48,5, tegenover 48,8 in april, en een dienstenindex van 47,7. Omdat een score onder 50 op krimp wijst, duidt dit op een afname van de bedrijfsactiviteit.
Andere bronnen noemen een samengestelde PMI van 47,5 en een dienstenindex van 46,4. Die cijfers zijn in de aangeleverde officiële bronnen niet rechtstreeks bevestigd. Het is daarom niet verantwoord om ze zonder voorbehoud als definitieve metingen te presenteren.
Wat wel overeind blijft, is het bredere signaal: de vraag verzwakt en bedrijven krijgen te maken met hogere kosten. Dat past bij de neerwaartse bijstelling van de groeiverwachtingen door Europese instellingen.
De Europese Commissie verwacht dat de economische groei in de EU in 2026 vertraagt naar 1,1%, 0,3 procentpunt lager dan in haar herfstprognose van 2025. De ECB voorziet voor de eurozone een groei van 0,9% in 2026, waarbij de prognose met 0,3 procentpunt naar beneden is bijgesteld.
Volgens de ECB houdt die neerwaartse bijstelling verband met de escalerende oorlog in het Midden-Oosten. Dat betekent niet dat elk onderdeel van de economische vertraging uitsluitend door het conflict wordt veroorzaakt. Wel vormt de energieschok een belangrijke extra belasting voor een economie die al met beperkte groeidynamiek te maken heeft.
Een specifieke krimp van het bruto binnenlands product in het tweede kwartaal van 0,2% wordt door de verstrekte officiële bronnen niet rechtstreeks bevestigd. De onderliggende trend — minder groei en grotere onzekerheid — wordt wel duidelijk ondersteund door de ramingen.
De Europese Centrale Bank hield tijdens haar vergadering in april de drie belangrijkste beleidsrentes ongewijzigd. Tegelijkertijd stelde de ECB dat de opwaartse risico’s voor de inflatie en de neerwaartse risico’s voor de groei waren toegenomen.
Dat is de kern van het beleidsprobleem. Een renteverhoging kan helpen om de inflatieverwachtingen en tweede-ronde-effecten te beteugelen, maar maakt lenen duurder voor huishoudens en bedrijven. In een economie die al afremt, kan dat de groei verder onder druk zetten.
De beschikbare bronnen bevestigen niet dat markten een kans van 76% op een renteverhoging in juni inprijsden, noch dat specifieke banken twee verhogingen van 25 basispunten voorspelden. Wel is duidelijk dat de ECB de situatie van vergadering tot vergadering en op basis van nieuwe data beoordeelt.
De gevolgen van het conflict verlopen dus vooral via vier kanalen:
De eurozone bevindt zich daarmee in een ongemakkelijke situatie: dezelfde schok die de prijzen opdrijft, kan ook de consumptie, investeringen en productie verzwakken. Of de hogere energieprijzen uitmonden in langdurige inflatie hangt onder meer af van de duur van het conflict, de ontwikkeling van de energie-aanvoer en de mate waarin bedrijven kosten blijven doorberekenen. De officiële cijfers laten voorlopig vooral zien dat de risico’s aan beide kanten zijn toegenomen.
De versnelling is duidelijk zichtbaar in de maandelijkse ontwikkeling: de inflatie liep op van 2,5% in maart naar 3,0% in april en vervolgens naar 3,2% in mei. In april leverden diensten een bijdrage van 1,38 procentpunt aan de inflatie, terwijl energie 0,99 procentpunt bijdroeg.
Dat mechanisme werkt op verschillende manieren door. Energie maakt transport, productie en verwarming duurder. Bedrijven kunnen die kosten deels doorberekenen aan klanten, waardoor de prijsdruk zich buiten de energiesector kan verspreiden. Tegelijkertijd tast een hogere energierekening de koopkracht van huishoudens aan.
De beschikbare PMI-bronnen schetsen zonder twijfel een zwakker beeld van de private sector, maar bevatten verschillende metingen. Een S&P Global-publicatie meldde voor mei een samengestelde productie-index van 48,5, tegenover 48,8 in april, en een dienstenindex van 47,7. Omdat een score onder 50 op krimp wijst, duidt dit op een afname van de bedrijfsactiviteit.
Andere bronnen noemen een samengestelde PMI van 47,5 en een dienstenindex van 46,4. Die cijfers zijn in de aangeleverde officiële bronnen niet rechtstreeks bevestigd. Het is daarom niet verantwoord om ze zonder voorbehoud als definitieve metingen te presenteren.
Wat wel overeind blijft, is het bredere signaal: de vraag verzwakt en bedrijven krijgen te maken met hogere kosten. Dat past bij de neerwaartse bijstelling van de groeiverwachtingen door Europese instellingen.
De Europese Commissie verwacht dat de economische groei in de EU in 2026 vertraagt naar 1,1%, 0,3 procentpunt lager dan in haar herfstprognose van 2025. De ECB voorziet voor de eurozone een groei van 0,9% in 2026, waarbij de prognose met 0,3 procentpunt naar beneden is bijgesteld.
Volgens de ECB houdt die neerwaartse bijstelling verband met de escalerende oorlog in het Midden-Oosten. Dat betekent niet dat elk onderdeel van de economische vertraging uitsluitend door het conflict wordt veroorzaakt. Wel vormt de energieschok een belangrijke extra belasting voor een economie die al met beperkte groeidynamiek te maken heeft.
Een specifieke krimp van het bruto binnenlands product in het tweede kwartaal van 0,2% wordt door de verstrekte officiële bronnen niet rechtstreeks bevestigd. De onderliggende trend — minder groei en grotere onzekerheid — wordt wel duidelijk ondersteund door de ramingen.
De Europese Centrale Bank hield tijdens haar vergadering in april de drie belangrijkste beleidsrentes ongewijzigd. Tegelijkertijd stelde de ECB dat de opwaartse risico’s voor de inflatie en de neerwaartse risico’s voor de groei waren toegenomen.
Dat is de kern van het beleidsprobleem. Een renteverhoging kan helpen om de inflatieverwachtingen en tweede-ronde-effecten te beteugelen, maar maakt lenen duurder voor huishoudens en bedrijven. In een economie die al afremt, kan dat de groei verder onder druk zetten.
De beschikbare bronnen bevestigen niet dat markten een kans van 76% op een renteverhoging in juni inprijsden, noch dat specifieke banken twee verhogingen van 25 basispunten voorspelden. Wel is duidelijk dat de ECB de situatie van vergadering tot vergadering en op basis van nieuwe data beoordeelt.
De gevolgen van het conflict verlopen dus vooral via vier kanalen:
De eurozone bevindt zich daarmee in een ongemakkelijke situatie: dezelfde schok die de prijzen opdrijft, kan ook de consumptie, investeringen en productie verzwakken. Of de hogere energieprijzen uitmonden in langdurige inflatie hangt onder meer af van de duur van het conflict, de ontwikkeling van de energie-aanvoer en de mate waarin bedrijven kosten blijven doorberekenen. De officiële cijfers laten voorlopig vooral zien dat de risico’s aan beide kanten zijn toegenomen.