Dat levert Europa een lastige afweging op. Goedkopere import kan consumenten helpen en Europese bedrijven bevoorraden die Chinese onderdelen gebruiken. Maar een langdurige toestroom van zwaar gesubsidieerde of uitzonderlijk goedkope producten kan ook winstmarges onder druk zetten, investeringen minder aantrekkelijk maken en leveranciersnetwerken verzwakken.
De eerste China-schok draaide vooral om de verplaatsing van goedkope productie naar mondiale toeleveringsketens. De huidige schok verschilt op één cruciaal punt: Chinese bedrijven concurreren nu hoger in de waardeketen.
De binnenlandse vraag in China is verzwakt, terwijl de industriële productiecapaciteit groot blijft. Volgens analisten zorgt die combinatie ervoor dat meer Chinese productie naar buitenlandse markten wordt uitgevoerd. Dat vergroot de prijsdruk in Europa en vermindert tegelijk de Chinese vraag naar Europese kapitaalgoederen.
De belangrijkste kwetsbare sectoren zijn:
Voor Europese bedrijven gaat het niet alleen om verloren verkoop. Lagere prijzen kunnen het rendement verminderen op fabrieken en onderzoeksprogramma’s die zijn opgezet voor elektrificatie en verduurzaming. Als productie verdwijnt, kan Europa ook gespecialiseerde toeleveranciers, technische kennis, onderzoekscapaciteit en goedbetaalde banen kwijtraken.
Daarom gaat het debat inmiddels verder dan de omvang van het handelstekort. De kernvragen gaan over industriële weerbaarheid en economische veiligheid.
Duitsland is het duidelijkste voorbeeld van Europa’s blootstelling aan China. De Duitse economie leunt relatief zwaar op maakindustrie en export. De traditionele sterke punten—auto’s, machines, chemie en industriële apparatuur—waren bovendien sectoren waarin China lange tijd een belangrijke klant en groeimarkt was.
Die relatie verandert. Chinese bedrijven zijn inmiddels steeds sterkere concurrenten in de auto-industrie, machinebouw en chemie, in plaats van alleen afnemers of goedkope productiepartners te zijn. Duitsland wordt daardoor op drie fronten tegelijk onder druk gezet: op de Chinese markt, in derde landen en steeds vaker ook op de Europese markt zelf.
De verslechtering is zichtbaar in de handelscijfers. De Duitse export naar China daalde in de eerste helft van 2026 met meer dan 12 procent op jaarbasis tot net onder de €37 miljard. China zakte in die periode van Duitslands op één na grootste exportmarkt in 2021 naar de negende plaats, volgens voorlopige cijfers waarover Reuters berichtte.
Voor Duitse autofabrikanten zoals Volkswagen is de overgang bijzonder moeilijk. Chinese bedrijven hebben sterke posities opgebouwd in elektrische voertuigen, batterijen en software, terwijl Europese fabrikanten nog bezig zijn met de kostbare omschakeling van verbrandingsmotoren. De Chinese concurrentie draait daardoor niet meer alleen om lagere prijzen, maar ook om technologie, ontwikkelsnelheid en geïntegreerde toeleveringsketens.
Dat betekent niet dat elke industriële tegenvaller in Duitsland door China wordt veroorzaakt. Europese bedrijven kampen ook met hoge energiekosten, trage vergunningprocedures, versnipperde kapitaalmarkten, personeelstekorten en een ongelijke digitale ontwikkeling. Chinese concurrentie legt die zwakke plekken bloot, maar veroorzaakt ze niet allemaal.
De EU heeft geen allesomvattend China-beleid ingevoerd. In plaats daarvan bouwt het blok aan een handelsverdedigingsinstrumentarium dat per product of sector wordt ingezet.
Na onderzoek naar Chinese subsidies voerde de EU extra compenserende heffingen in op batterij-elektrische auto’s die in China worden geproduceerd. Die komen bovenop het reguliere EU-autotarief. Het doel is een vermeend subsidievoordeel te neutraliseren, niet om Chinese elektrische auto’s volledig van de Europese markt te weren. Eind 2025 liepen sommige heffingen op tot 35,3 procent.
Voor staal gebruikt de EU vrijwaringsmaatregelen, waaronder tariefquota, naast procedures tegen dumping en subsidies. Eind 2025 had de EU in totaal 172 antidumping- en antisubsidiemaatregelen tegen handelspartners van kracht. Iets meer dan driekwart daarvan was gericht tegen Chinese bedrijven, volgens Reuters.
Deze instrumenten moeten onderscheid maken tussen normale concurrentie en import die Europese producenten schade toebrengt door dumping, subsidies of plotselinge importpieken. In de praktijk kan een aanpak per product echter trager zijn dan de industriële druk die hij moet opvangen.
In juni 2025 gebruikte de Europese Commissie voor het eerst het International Procurement Instrument. Chinese bedrijven en medische hulpmiddelen van Chinese oorsprong werden daardoor beperkt in Europese overheidsaanbestedingen. Het gaat om opdrachten van ten minste €5 miljoen, gedurende vijf jaar.
Dit is geen traditioneel importtarief. De redenering draait om wederkerigheid: Europese instellingen grepen in nadat was vastgesteld dat Europese leveranciers geen vergelijkbare toegang kregen tot de Chinese markt voor overheidsinkoop.
Europese beleidsmakers vragen zich af of het bestaande systeem niet te langzaam en te beperkt is voor een structurele industriële uitdaging. In het debat worden onder meer de volgende opties genoemd:
Sommige beleidsmakers kijken ook naar een bevoegdheid die lijkt op de Amerikaanse Section 301-procedure. De aantrekkingskracht daarvan is snelheid: een breder instrument zou de EU in staat kunnen stellen om op systematische handelspraktijken te reageren zonder voor elk getroffen product een afzonderlijk, langdurig onderzoek te starten.
De obstakels zijn aanzienlijk. EU-lidstaten hebben verschillende commerciële belangen, Europese bedrijven zijn afhankelijk van China als markt én leverancier, en strengere beperkingen kunnen tot tegenmaatregelen leiden. Een breed instrument moet bovendien passen binnen het EU-recht en de internationale handelsverplichtingen van het blok.
De waarschijnlijkste koers is daarom geen onmiddellijke omslag naar algeheel protectionisme. Het gaat eerder om een voorwaardelijker vorm van openheid: markttoegang waar de concurrentie wederzijds is, en defensieve maatregelen waar subsidies, afhankelijkheden of toegangsbarrières aantoonbaar zwaar wegen.
De centrale discussie draait om de vraag of China’s exportkracht vooral voortkomt uit oneerlijke staatssteun of uit echte industriële concurrentiekracht.
Europese regeringen wijzen op voordelige financiering, goedkope grond, energie- en belastingvoordelen, overheidsopdrachten en staatsgelieerde toeleveringsketens. Hun zorg is dat dergelijke steun overcapaciteit in stand kan houden en export mogelijk maakt tegen prijzen waar Europese bedrijven niet tegenop kunnen als zij marktconforme kosten dragen.
China voert daartegen aan dat zijn bedrijven concurreren dankzij schaalgrootte, innovatie, geïntegreerde leveranciers en een hogere uitvoeringssnelheid. Vanuit dat perspectief zijn Europese beperkingen protectionisme dat minder efficiënte gevestigde bedrijven beschermt.
Beide verklaringen kunnen gedeeltelijk waar zijn. Subsidies kunnen capaciteit en prijzen verstoren, maar Europese bedrijven zijn ook minder concurrerend geworden door binnenlandse kosten en trage regelgeving. Dat maakt de beleidskeuze moeilijk:
De sterkste aanpak zou daarom gerichte handelsverdediging combineren met goedkopere schone energie, snellere vergunningen, diepere kapitaalmarkten, betere financiering voor innovatie en meer vraag naar Europese schone technologie.
Het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) van de EU ging in januari 2026 de definitieve fase in. Het systeem geldt voor koolstofintensieve importproducten zoals ijzer, staal, aluminium, cement, meststoffen, waterstof en elektriciteit. Importeurs moeten de ingebedde uitstoot registreren en daarvoor emissiecertificaten afdragen.
De EU wil hiermee koolstoflekkage voorkomen. Als Europese producenten wel een koolstofprijs betalen en importproducten niet, kan productie naar het buitenland verhuizen of kunnen geïmporteerde goederen een kunstmatig kostenvoordeel krijgen. CBAM moet de koolstofkosten van bepaalde importen beter laten aansluiten bij de kosten waarmee Europese producenten te maken hebben.
BRICS-landen bekijken de maatregel anders. Tijdens een bijeenkomst in New Delhi in augustus 2026 noemden de milieuministers van de groep CBAM-achtige maatregelen ‘unilateraal, bestraffend, discriminerend en protectionistisch’. Zij waarschuwden dat zulke regels de export van ontwikkelingslanden kunnen belasten en koppelden hun kritiek aan de vraag om meer financiering voor klimaatadaptatie.
Het meningsverschil is niet alleen semantisch. Een systeem dat formeel is gebaseerd op uitstoot kan exporteurs toch ongelijk raken wanneer hun productie koolstofintensiever is, zij minder betrouwbare uitstootgegevens hebben of moeilijker toegang krijgen tot financiering voor verduurzaming. Voor ontwikkelende economieën kan klimaatbeleid daardoor gaan voelen als een markttoegangsvoorwaarde die door rijkere landen wordt opgelegd.
Europa probeert nu vier doelen tegelijk te realiseren die elkaar deels tegenwerken: industriële capaciteit beschermen, de voordelen van open handel behouden, geloofwaardig klimaatbeleid voeren en een bredere confrontatie met China, BRICS-landen en de Verenigde Staten voorkomen.
De meest houdbare oplossing ligt waarschijnlijk niet in volledig laissez-fairebeleid en evenmin in willekeurige tarieven. Europa heeft onderbouwde handelsmaatregelen nodig wanneer de concurrentie aantoonbaar wordt verstoord, gecombineerd met binnenlands beleid dat Europese productie productiever, innovatiever en betaalbaarder maakt.
De Chinese exportgolf heeft de kosten blootgelegd van Europa’s oude aannames. De vraag is niet langer óf de EU open moet blijven, maar of het blok open kan blijven zonder strategische industriële capaciteiten te laten eroderen—en of het die capaciteiten kan verdedigen zonder de concurrentie en investeringen uit te schakelen die nodig zijn om ze opnieuw op te bouwen.