De oliemarkt reageerde onmiddellijk. Brentolie bereikte op 1 juni 2026 een prijs van 97,79 dollar per vat en kwam sinds maart meerdere keren boven de 100 dollar uit. De EIA noteerde bovendien een piek van 138 dollar per vat op 7 april .
Het mechanisme is klassiek: een aanbodschok maakt energie duurder, waarna hogere brandstof- en transportkosten worden doorberekend aan producenten, winkels en uiteindelijk consumenten. Dit wordt ook wel kosteninflatie genoemd.
In Japan kondigen fabrikanten voor juni prijsverhogingen aan voor 1.078 voedings- en drankproducten. Dat zijn er ruim dertien keer zoveel als in mei, toen het om 84 producten ging . Onderzoeksinstituut Teikoku Databank koppelde de nieuwe verhogingen onder meer aan de crisis in het Midden-Oosten .
Vooral smaakmakers worden duurder: 450 producten in die categorie krijgen een prijsaanpassing. Daarnaast gaat het om 304 bewerkte voedingsmiddelen . Voor consumenten kan dat de dagelijkse boodschappen merkbaar duurder maken, zelfs wanneer de olieprijs zelf niet één op één in de winkelprijs terug te zien is.
Japan heeft weinig ruimte om zo'n internationale schok op te vangen. Op basis van calorieën importeert het land ongeveer 62% van zijn voedsel; de zelfvoorzieningsgraad ligt rond 38% . Hogere kosten voor grondstoffen, energie en vervoer komen daardoor relatief snel bij Japanse producenten en huishoudens terecht. De voedselinflatie bedroeg in april 3,5% op jaarbasis .
De druk op huishoudbudgetten was al groot vóór de Hormuzcrisis. In 2025 ging 28,6% van de consumptie-uitgaven van huishoudens van twee of meer personen naar voedsel. Dat was het hoogste aandeel in 44 jaar . Tegelijk wijzen gegevens van Teikoku Databank erop dat het algemene tempo van prijsverhogingen in 2026 lager lag dan in 2025. De junipiek laat echter zien dat de externe olieschok boven op bestaande druk door onder meer de zwakke yen en hogere loonkosten komt .
De Bank of Japan heeft voor juni geen renteverhoging bevestigd in de beschikbare bronnen. Een mogelijk rentepad bij aanhoudende voedselinflatie blijft daarom vooralsnog onzeker.
In de Filipijnen zakte de inflatie in mei 2026 naar 6,8%, tegenover 7,2% in april — toen het hoogste niveau in drie jaar . Dat was een meevaller: economen die door The Philippine Star waren ondervraagd, rekenden gemiddeld op 7,7% .
Toch biedt de daling weinig reden tot geruststelling. De inflatie ligt inmiddels drie maanden op rij boven de doelstelling van de Bangko Sentral ng Pilipinas (BSP), de centrale bank van het land, die tussen 2% en 4% ligt .
De lagere mei-inflatie kwam vooral doordat de stijging van transport- en voedselprijzen afzwakte. De dieselinflatie daalde van 122,7% in april naar 58,5% in mei. De benzineinflatie kwam uit op 51,6%, volgens Metrobank Wealth Insights . De Philippine Statistics Authority (PSA) wees de nog altijd hoge inflatie rechtstreeks toe aan hogere brandstofprijzen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten .
De Filipijnen zijn bijzonder kwetsbaar voor een olieschok omdat het land vrijwel volledig afhankelijk is van geïmporteerde geraffineerde brandstoffen. Duurdere brandstof werkt daardoor door in pompprijzen, elektriciteit, vervoer en de distributie van voedsel. Zelfs wanneer de inflatie tijdelijk afneemt, blijven de kosten voor gezinnen en bedrijven hoog.
Private economen verwachten dat de BSP tijdens de beleidsvergadering van 18 juni ten minste 25 basispunten toevoegt aan de beleidsrente. Daarmee zou de rente uitkomen op 4,75% . Gouverneur Remolona had eerder aangegeven dat het bestuur een verdere verhoging overweegt na de inflatiepiek in april. De eigen prognose van de BSP gaat uit van een gemiddelde inflatie van 6,3% in 2026, waarbij de inflatie ook in 2027 boven de doelstelling kan blijven .
Een verhoging met 50 basispunten is wel genoemd in marktcommentaren, maar is niet de consensusverwachting in de beschikbare ramingen. De meest waarschijnlijke stap is volgens economen een verhoging met 25 basispunten .
Voor centrale banken is dit een lastig dilemma. Een hogere rente kan voorkomen dat tijdelijke importinflatie zich verspreidt naar lonen, diensten en bredere prijsverwachtingen. Tegelijk maakt een hogere rente lenen duurder en kan zij consumptie en investeringen afremmen — juist op een moment dat huishoudens al minder koopkracht hebben.
De richting van de ontwikkeling is duidelijk: een verstoring van olie- en scheepvaartstromen verhoogt de kosten in beide economieën. Maar enkele specifieke conclusies moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd:
De Hormuzcrisis werkt zo als een externe kostenstoot die via verschillende routes de economie binnenkomt. Japan merkt die vooral in geïmporteerd voedsel en bewerkte producten; in de Filipijnen is de brandstofrekening het belangrijkste kanaal. In beide landen proberen centrale banken te voorkomen dat een tijdelijke olieschok uitgroeit tot hardnekkige binnenlandse inflatie.
De oliemarkt reageerde onmiddellijk. Brentolie bereikte op 1 juni 2026 een prijs van 97,79 dollar per vat en kwam sinds maart meerdere keren boven de 100 dollar uit. De EIA noteerde bovendien een piek van 138 dollar per vat op 7 april .
Het mechanisme is klassiek: een aanbodschok maakt energie duurder, waarna hogere brandstof- en transportkosten worden doorberekend aan producenten, winkels en uiteindelijk consumenten. Dit wordt ook wel kosteninflatie genoemd.
In Japan kondigen fabrikanten voor juni prijsverhogingen aan voor 1.078 voedings- en drankproducten. Dat zijn er ruim dertien keer zoveel als in mei, toen het om 84 producten ging . Onderzoeksinstituut Teikoku Databank koppelde de nieuwe verhogingen onder meer aan de crisis in het Midden-Oosten .
Vooral smaakmakers worden duurder: 450 producten in die categorie krijgen een prijsaanpassing. Daarnaast gaat het om 304 bewerkte voedingsmiddelen . Voor consumenten kan dat de dagelijkse boodschappen merkbaar duurder maken, zelfs wanneer de olieprijs zelf niet één op één in de winkelprijs terug te zien is.
Japan heeft weinig ruimte om zo'n internationale schok op te vangen. Op basis van calorieën importeert het land ongeveer 62% van zijn voedsel; de zelfvoorzieningsgraad ligt rond 38% . Hogere kosten voor grondstoffen, energie en vervoer komen daardoor relatief snel bij Japanse producenten en huishoudens terecht. De voedselinflatie bedroeg in april 3,5% op jaarbasis .
De druk op huishoudbudgetten was al groot vóór de Hormuzcrisis. In 2025 ging 28,6% van de consumptie-uitgaven van huishoudens van twee of meer personen naar voedsel. Dat was het hoogste aandeel in 44 jaar . Tegelijk wijzen gegevens van Teikoku Databank erop dat het algemene tempo van prijsverhogingen in 2026 lager lag dan in 2025. De junipiek laat echter zien dat de externe olieschok boven op bestaande druk door onder meer de zwakke yen en hogere loonkosten komt .
De Bank of Japan heeft voor juni geen renteverhoging bevestigd in de beschikbare bronnen. Een mogelijk rentepad bij aanhoudende voedselinflatie blijft daarom vooralsnog onzeker.
In de Filipijnen zakte de inflatie in mei 2026 naar 6,8%, tegenover 7,2% in april — toen het hoogste niveau in drie jaar . Dat was een meevaller: economen die door The Philippine Star waren ondervraagd, rekenden gemiddeld op 7,7% .
Toch biedt de daling weinig reden tot geruststelling. De inflatie ligt inmiddels drie maanden op rij boven de doelstelling van de Bangko Sentral ng Pilipinas (BSP), de centrale bank van het land, die tussen 2% en 4% ligt .
De lagere mei-inflatie kwam vooral doordat de stijging van transport- en voedselprijzen afzwakte. De dieselinflatie daalde van 122,7% in april naar 58,5% in mei. De benzineinflatie kwam uit op 51,6%, volgens Metrobank Wealth Insights . De Philippine Statistics Authority (PSA) wees de nog altijd hoge inflatie rechtstreeks toe aan hogere brandstofprijzen als gevolg van het conflict in het Midden-Oosten .
De Filipijnen zijn bijzonder kwetsbaar voor een olieschok omdat het land vrijwel volledig afhankelijk is van geïmporteerde geraffineerde brandstoffen. Duurdere brandstof werkt daardoor door in pompprijzen, elektriciteit, vervoer en de distributie van voedsel. Zelfs wanneer de inflatie tijdelijk afneemt, blijven de kosten voor gezinnen en bedrijven hoog.
Private economen verwachten dat de BSP tijdens de beleidsvergadering van 18 juni ten minste 25 basispunten toevoegt aan de beleidsrente. Daarmee zou de rente uitkomen op 4,75% . Gouverneur Remolona had eerder aangegeven dat het bestuur een verdere verhoging overweegt na de inflatiepiek in april. De eigen prognose van de BSP gaat uit van een gemiddelde inflatie van 6,3% in 2026, waarbij de inflatie ook in 2027 boven de doelstelling kan blijven .
Een verhoging met 50 basispunten is wel genoemd in marktcommentaren, maar is niet de consensusverwachting in de beschikbare ramingen. De meest waarschijnlijke stap is volgens economen een verhoging met 25 basispunten .
Voor centrale banken is dit een lastig dilemma. Een hogere rente kan voorkomen dat tijdelijke importinflatie zich verspreidt naar lonen, diensten en bredere prijsverwachtingen. Tegelijk maakt een hogere rente lenen duurder en kan zij consumptie en investeringen afremmen — juist op een moment dat huishoudens al minder koopkracht hebben.
De richting van de ontwikkeling is duidelijk: een verstoring van olie- en scheepvaartstromen verhoogt de kosten in beide economieën. Maar enkele specifieke conclusies moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd:
De Hormuzcrisis werkt zo als een externe kostenstoot die via verschillende routes de economie binnenkomt. Japan merkt die vooral in geïmporteerd voedsel en bewerkte producten; in de Filipijnen is de brandstofrekening het belangrijkste kanaal. In beide landen proberen centrale banken te voorkomen dat een tijdelijke olieschok uitgroeit tot hardnekkige binnenlandse inflatie.