In Zuidoost-Europa worden voor maïs en zonnebloemen oogsten gemeld die aanzienlijk onder het gemiddelde liggen. De beschikbare gegevens bieden echter geen betrouwbare, actuele procentuele schatting voor de Europese zonnebloemenoogst of voor de totale Europese maïsproductie. Evenmin is er één bevestigd cijfer voor het totale Europese graanverlies. Dat voorbehoud is belangrijk: vroege ramingen kunnen veranderen zodra meer oogstgegevens beschikbaar komen en regionale verschillen duidelijker worden.
Naast een productieprobleem ontstaat er een logistiek probleem. Door het aanhoudende neerslagtekort en de terugkerende hitte bereikten de Po, Rijn en Donau in augustus recordlage waterstanden, blijkt uit monitoring van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek en Copernicus, het aardobservatieprogramma van de EU. Ook de Rijn zakte op verschillende plaatsen in Duitsland en Nederland naar een historisch laag niveau.
Laag water legt de scheepvaart niet volledig stil, maar beperkt wel hoeveel vracht elk schip kan vervoeren. Vervoerders hebben daardoor meer schepen nodig, moeten langzamere routes gebruiken of overstappen op spoor en weg. Dat verhoogt de kosten en maakt leveringen minder voorspelbaar.
De Rijn, Donau en Po verbinden belangrijke industriële en landbouwregio’s. Wanneer de oogstverwachtingen al verslechteren, kan de beperkte capaciteit op deze rivieren tegelijk het vervoer van graan, veevoer, kunstmest en andere grondstoffen hinderen.
Zo ontstaat een versterkend effect: een kleinere oogst kan de importbehoefte vergroten, terwijl ondiepe vaarwegen die import duurder maken. Europa heeft daardoor mogelijk ook minder ruimte om tekorten op andere wereldmarkten op te vangen.
Ook de Zwarte Zee blijft een mogelijk kwetsbaar punt. Volgens Reuters hebben recente aanvallen op landbouwexportfaciliteiten en commerciële schepen de Russische en Oekraïense aanvoer van olie en graan verstoord. De beschikbare gegevens laten niet zien welk deel van een eventuele huidige daling van de Oekraïense export rechtstreeks door de Europese droogte komt. Nieuwe verstoringen zouden de flexibiliteit van een al gespannen handelssysteem wel verder verkleinen.
De verstoring rond de Straat van Hormuz raakt de voedselvoorziening vooral via energie en kunstmest. Volgens de FAO kan ongeveer 1,3 miljoen ton kunstmest per maand niet langer door de zeestraat worden vervoerd. De Wereldbank meldde daarnaast een stijging van 46 procent in de ureumprijs ten opzichte van de voorgaande maand en een toename van 8 procent in landbouwprijsindices, in verband met verstoorde olie-, gas- en kunstmeststromen.
Duurdere energie verhoogt de kosten van irrigatie, drogen, opslag en vrachtvervoer. Hogere kunstmestprijzen kunnen boeren ertoe aanzetten minder kunstmest te gebruiken of aankopen uit te stellen. Dat kan de opbrengsten in een volgend teeltseizoen drukken. Vooral landen die sterk afhankelijk zijn van ingevoerde brandstof, kunstmest of voedsel lopen daardoor risico.
De Wereldbank schat de kans dat El Niño zich halverwege 2026 ontwikkelt en tot in 2027 aanhoudt op 61 tot 87 procent. Het natuurverschijnsel kan de productie bedreigen in Zuid-Azië, zuidelijk Afrika en delen van Oost-Azië. Als die verwachting uitkomt, kunnen ook andere belangrijke landbouwregio’s met weerschade te maken krijgen terwijl Europa al kampt met lagere oogsten en transportproblemen.
Dat is een risico op gelijktijdige schokken, geen bewijs dat El Niño de huidige Europese droogte heeft veroorzaakt. De beschikbare bronnen geven evenmin een precieze statistische schatting van de mate waarin klimaatverandering de kans op de huidige tekorten aan bodemvocht heeft vergroot. De best onderbouwde conclusie is beperkter: de Europese droogte verergert, en gelijktijdige problemen in andere productieregio’s zouden het voor overheden en markten moeilijker maken om de wereldwijde voedselvoorziening te stabiliseren.
Het rapport The State of Food Security and Nutrition in the World 2026 laat zien dat de wereldwijde honger voor het derde jaar op rij afnam, maar dat die vooruitgang kwetsbaar blijft. Naar schatting 645 miljoen mensen — 7,8 procent van de wereldbevolking — leden in 2025 honger. Daarvan leefden 309 miljoen mensen in Afrika. Het hongercijfer kwam daar uit op 20,0 procent, tegenover 6,0 procent in Azië en 4,8 procent in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied.
Hetzelfde rapport schat dat ongeveer 2,1 miljard mensen in 2025 te maken hadden met matige of ernstige voedselonzekerheid. Deze cijfers bewijzen niet dat Afrika in 2030 verantwoordelijk zal zijn voor meer dan de helft van de wereldwijde voedselonzekerheid; die specifieke prognose wordt niet door de beschikbare gegevens onderbouwd. Ze maken wel duidelijk waarom nieuwe prijs-, handels- en inputschokken niet overal hetzelfde uitpakken. Vooral huishoudens in kwetsbare en importafhankelijke landen worden hard geraakt.
Het directe doel is te voorkomen dat een regionale droogte uitgroeit tot een bredere crisis rond betaalbaarheid en toegang tot voedsel:
De Europese hittegolf is daarmee vooral een stresstest voor het wereldwijde voedselsysteem. De directe schade is regionaal, maar de gevolgen kunnen zich verspreiden via gewasmarkten, rivieren, kunstmestprijzen en handelsroutes. De gegevens wijzen op een toenemende kwetsbaarheid — nog niet op één volledig gekwantificeerde wereldwijde voedselcrisis.