De daling was breed gedragen. De sterkste krimp deed zich voor bij investeringsgoederen (-2,1% op maandbasis), gevolgd door halffabricaten (-0,9%) en consumptiegoederen (-0,7%). Alleen de energiesector liet een plus zien (+0,8%) . Over het hele tweede kwartaal was er nog een bescheiden stijging van 0,4% op kwartaalbasis, maar de cijfers van juni doorbraken die positieve trend .
De Franse industriële productie steeg in juni met slechts 0,1% op maandbasis, waarmee de consensusverwachting van 0,3% werd gemist. Het cijfer volgde op een herziene daling van -0,2% in mei . Dit totaalcijfer is echter misleidend: de productie van de maakindustrie daalde in juni met 1,1% (na -1,0% in mei), gedreven door een diepere terugval in de agri-foodindustrie (-0,8%), cokes en geraffineerde aardolieproducten (-12%) en transportmiddelen (-3,8%) . De stijging van 0,1% in het totaalcijfer was volledig te danken aan een opleving van 4,2% in de sector mijnbouw, energie en water, en dus niet aan de fabrieksactiviteit .
Verschillende gedeelde factoren verklaren de synchroniseerde teleurstelling in beide economieën:
De cijfers voor juni uit Italië en Frankrijk bevestigen dat het industrieel herstel in de eurozone in het tweede kwartaal aan kracht heeft verloren, na een sterke start van het jaar. Het herstel in het eerste kwartaal, dat werd aangedreven door voorraadopbouw en defensie-uitgaven, is aan het wegebben .
Duitsland is nog steeds de grootste drukkende factor op het industriële beeld van de eurozone. De krimp in Italië gedurende twee maanden en de aanhoudende daling van de Franse maakindustrie laten zien dat de zwakte breed is en niet alleen Duitsland betreft. Ook de Manufacturing PMI van juli versterkt dit fragiele beeld: de output wordt gedreven door het wegwerken van achterstanden, niet door nieuwe orders, wat wijst op een mogelijk tijdelijke opleving .
Tijdens haar vergadering van 11 juni 2026 verhoogde de ECB de depositorente met 25 basispunten tot 2,25%, waarmee een einde kwam aan een jaar van stilstand . Het besluit was ingegeven door de nog steeds hoge inflatie; de projecties van de ECB van juni voorspelden een hoofdinflatie van 3,0% voor 2026 en 2,3% voor 2027 .
De tegenvallende industriecijfers van juni, gecombineerd met de aanhoudende krimp in de dienstensector en de samengestelde PMI, versterken de argumenten voor de ECB om op haar volgende vergadering de rente onveranderd te laten. De oorlog in het Midden-Oosten weegt op de economische activiteit, en de eigen projecties van de ECB van juni gaan al uit van een zeer bescheiden bbp-groei (0,8% in 2026, 1,2% in 2027) .
Nu de groei afkoelt en de inflatie nog boven de doelstelling ligt, maar een dalende trend vertoont, zal de ECB waarschijnlijk wachten op meer data voordat ze een volgende stap zet. Het risico op een beleidsfout – renteverhoging in een periode van economische vertraging – is toegenomen. Een langdurige rentepauze lijkt waarschijnlijk.
De negatieve verrassingen in Italië en Frankrijk verkleinen het relatieve groeivoordeel dat de eurozone in 2026 ten opzichte van de VS had opgebouwd. Een zwakkere industrie werkt doorgaans negatief door op de euro, omdat het het verwachte renteverschil verkleint.
De markten zullen nu een lagere kans op verdere ECB-renteverhogingen inprijzen. Als de Fed de rente onveranderd laat of als meer havikistisch wordt gezien, kan de EUR/USD opnieuw onder druk komen te staan. Het verhaal van een fragiel herstel biedt weinig reden voor een versterking van de euro vanaf de huidige niveaus.
Conclusie. De daling van 1,0% in Italië en de stijging van 0,1% in Frankrijk (met een krimp van de maakindustrie van 1,1%) zijn beide tegenvallers die een verzwakkende reële economie blootleggen onder een PMI die er op het eerste gezicht nog expansief uitziet. De renteverhoging van de ECB in juni lijkt nu het hoogtepunt van deze cyclus te zijn, en een langdurige pauze is waarschijnlijk. De euro mist op basis van deze cijfers een sterke katalysator voor verdere koersstijgingen.