Het betekent dus niet noodzakelijk dat zonnepanelen of windturbines defect zijn. De stroom had op dat moment simpelweg geen bruikbare route naar afnemers. De schatting van 360 TWh van het Centre for Research on Energy and Clean Air (CREA) en Global Energy Monitor (GEM) omvat zowel gemelde als geschatte, niet-gemelde afregeling. Daardoor is het cijfer niet één-op-één vergelijkbaar met iedere officiële Chinese statistiek. Wel beschrijven meerdere bronnen hetzelfde patroon: schone elektriciteit werd geweigerd terwijl de kolenproductie toenam.
Een groot deel van de nieuwe wind- en zonnecapaciteit staat in de noordelijke en westelijke regio’s van China, waar de omstandigheden voor hernieuwbare energie gunstig zijn. De grootste elektriciteitsvraag bevindt zich echter vooral in de oostelijke en zuidelijke kustprovincies.
Om die afstand te overbruggen zijn voldoende lokale netcapaciteit, langeafstandstransmissie en mogelijkheden voor elektriciteitshandel tussen provincies nodig. Wanneer een hoogspanningsverbinding of het ontvangende net zijn grens bereikt, kan extra hernieuwbare productie niet zomaar elders worden afgeleverd. Daardoor kan stroom worden afgeregeld, ook als er in een ander deel van het land wel vraag naar is.
Zonnepanelen leveren doorgaans het meest rond het midden van de dag, terwijl de vraag later op de dag kan pieken. Windproductie varieert en kan juist hoog zijn wanneer de lokale vraag laag is.
Zonder voldoende batterijen, pompcentrales, flexibele industriële vraag of andere regelbare bronnen hebben netbeheerders dan weinig opties. Ze kunnen de stroom niet altijd verplaatsen of bewaren en beperken daarom de productie.
Meer opwekcapaciteit bouwen is dus niet genoeg om fossiele brandstoffen te verdringen. Het net moet de stroom ook kunnen balanceren, transporteren en op het juiste moment economisch waarderen.
Sommige grote projecten voor hernieuwbare energie zijn nog ontworpen rond kolen als gegarandeerde aanvulling op variabele wind- en zonnestroom. Een voorgestelde ultrahoogspanningsverbinding voor gelijkstroom van het Kubuqi-gebied in Binnen-Mongolië naar Shanghai zou bijvoorbeeld voor meer dan 60% uit hernieuwbare elektriciteit bestaan. Het plan bevat daarnaast 9.000 megawattuur (MWh) aan opslag en 2,64 GW aan kolencapaciteit.
Dat voorbeeld laat een fundamentele beleidskeuze zien: moeten opslag en andere flexibele technologieën de rol van kolen als back-up overnemen, of blijven nieuwe hernieuwbare-energieclusters gekoppeld aan kolencentrales?
Volgens CREA en GEM moesten kolencentrales in 2026 nog steeds jaarcontracten afsluiten voor ongeveer 60% tot 70% van de elektriciteit die zij het jaar ervoor hadden geleverd. Zulke contracten kunnen inkomsten en leveringszekerheid bieden, maar reserveren ook een groot deel van de beschikbare vraag voor kolenproducenten.
Kolen zijn daardoor niet alleen een noodvoorziening voor momenten waarop wind en zon tekortschieten. Wanneer centrales een financiële prikkel of verplichting hebben om te leveren, kan hernieuwbare stroom worden afgeregeld, zelfs als de variabele kosten ervan lager zijn.
De ingebruikname van 30 GW aan nieuwe kolencapaciteit in zes maanden creëerde niet alleen een reservevloot voor uitzonderlijke pieken. Omdat maar 2,7 GW werd uitgeschakeld, eindigde China de eerste helft van 2026 met een grotere kolenvloot die om elektriciteitsverkopen concurreerde in een systeem dat al tekenen van overcapaciteit vertoonde.
CREA meldde dat kolencentrales minder intensief werden gebruikt, terwijl de totale kolenproductie toch steeg. Dat past bij een situatie waarin meer centrales om een beperkte vraag concurreren. De extra capaciteit verhoogde de druk op netbeheerders: kolencentrales hadden bestaande contracten, lokale betrouwbaarheidsfuncties en investeringsbelangen, terwijl wind en zon tegen fysieke transportbeperkingen aanliepen.
Daarmee wordt ook duidelijk waarom strengere controle op nieuwe kolenprojecten de trend niet onmiddellijk keerde. Projecten die al waren goedgekeurd of in aanbouw waren, konden nog steeds worden opgeleverd. Daarnaast kunnen provinciale overheden capaciteit steunen die lokale leveringszekerheid, werkgelegenheid en investeringen ondersteunt.
De beschikbare gegevens wijzen dus vooral op structurele vergrendeling en overcapaciteit — niet op een nationaal elektriciteitstekort dat alle nieuwe kolenstroom noodzakelijk maakte.
De signalen zijn overigens niet uitsluitend negatief. Hernieuwbare bronnen leverden in de eerste helft van 2026 meer dan 40% van de Chinese elektriciteit, terwijl het aandeel van kolen voor het eerst onder 50% zakte. Een dalend aandeel betekent echter niet automatisch dat de absolute kolenproductie daalt: zowel de totale elektriciteitsproductie als de totale opwekcapaciteit kunnen tegelijk groeien.
Afregeling raakt direct aan de financiële haalbaarheid van een project. Een wind- of zonnecentrale kan zijn gebouwd met de verwachting een bepaald volume te verkopen, maar congestie of beperkingen in de dispatch kunnen die productie verhinderen. Dat maakt inkomsten, toegang tot het net en de uiteindelijke stroomprijs onzekerder.
De nieuwe zonne-installaties in China daalden in de eerste helft van 2026 met 66% op jaarbasis, van 212,21 GW naar 72,07 GW. Volgens de berichtgeving kwam een belangrijk deel van die daling doordat een eerdere aansluitingsgolf afliep: ontwikkelaars wilden projecten nog aansluiten voordat prijsregels veranderden. De cijfers bewijzen daarom niet dat afregeling de oorzaak van de daling was. Ze laten wel zien waarom een minder voorspelbare markt ontwikkelaars voorzichtiger kan maken.
De commerciële voorkeur kan verschuiven naar projecten die niet alleen stroom opwekken, maar die ook betrouwbaarder kunnen leveren:
Chinese fabrikanten van zonnepanelen breiden al uit naar de export van batterijen nu de groei van de verkoop van fotovoltaïsche panelen afneemt. Dat past bij een toenemende vraag naar opslagproducten. Opslag is geen volledige vervanging voor netverzwaring en markt hervorming, maar kan hernieuwbare projecten wel waardevoller en beter inpasbaar maken.
Het basisprobleem komt in meerdere Aziatische elektriciteitsmarkten voor: de bouw van hernieuwbare capaciteit gaat sneller dan de aanleg van transmissie, flexibiliteit en markt hervormingen. De omvang en institutionele oorzaken verschillen sterk.
Australië heeft te maken gehad met overschotten aan hernieuwbare stroom door de sterke productie van zonnepanelen op daken en grootschalige zonneparken, transmissiebeperkingen en een batterij-uitrol die niet altijd gelijke tred hield met de groei van hernieuwbare energie.
Volgens door Reuters aangehaalde gegevens van OpenElectricity nam de afregeling van wind- en zonnestroom in de eerste negen maanden van 2025 meer dan drievoudig toe tot 3,7 TWh. Dat stond gelijk aan 6,8% van de hernieuwbare productie in die periode.
De Australische uitdaging draait vooral om lokale congestie, een overvloed aan zonnestroom overdag en onvoldoende flexibiliteit. Het land kent niet dezelfde combinatie van enorme absolute volumes en kolencontracten die een groot aandeel van eerdere leveringen vastleggen. Australië breidt bovendien de steun voor commerciële zonnepanelen op daken en batterijen uit.
Japan is verdeeld in regionale elektriciteitsnetten met beperkte transportcapaciteit tussen de gebieden. Ook daar wordt hernieuwbare stroom afgeregeld. De toename hangt mede samen met een stijgende kernenergieproductie, die ruimte inneemt in de koolstofarme elektriciteitsmix wanneer wind en zon beschikbaar zijn.
In negen van de tien Japanse netregio’s steeg de afregeling in de eerste acht maanden van 2025 met 38,2% tot 1,77 TWh. Dat was 2,3% van de totale productie uit groene bronnen, volgens een analyse van Reuters op basis van sectorgegevens.
Het Japanse probleem is geografisch beperkter en kleiner in volume dan dat van China. De aangeleverde bronnen bevatten geen vergelijkbaar nationaal cijfer voor Japan over de eerste helft van 2026; actuele vergelijkingen moeten daarom voorzichtig worden geïnterpreteerd.
In India hangt afregeling eveneens samen met knelpunten in de transmissie en eisen voor netveiligheid. Het land hield in april-juni 2026 8.133 gigawattuur (GWh) aan zonnestroom tegen. De maandcijfers bedroegen 2.417 GWh in april, 3.235 GWh in mei en 2.481 GWh in juni.
Dat is aanzienlijk, maar blijft ver onder de geschatte 360 TWh van China over de vergelijkbare periode. Het grote absolute verschil komt deels doordat China over een veel grotere vloot voor hernieuwbare opwekking beschikt. Het is daarom geen eenvoudige ranglijst van beleidsprestaties. Beide gevallen tonen wel aan dat transmissie-investeringen gelijke tred moeten houden met de bouw van nieuwe productiecapaciteit.
China’s ervaring laat zien waarom het aantal geïnstalleerde gigawatts geen volledige maatstaf is voor de voortgang van de energietransitie. Een goed functionerend systeem voor schone elektriciteit heeft ook nodig:
De kern van het probleem is dus niet dat China op zichzelf te veel hernieuwbare energie heeft gebouwd. Het land heeft wind- en zonnecapaciteit toegevoegd aan een elektriciteitssysteem waarin de fysieke infrastructuur en institutionele regels kolen nog steeds een beschermde rol geven. Zolang die structuren niet veranderen, kunnen meer wind en zon samengaan met een stijgende kolenproductie — en zelfs met grotere hoeveelheden verspilde schone stroom.